Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать
  1. Hechting:

  • Normale hechting = belangrijke ontwikkelingstaak voor de opbouw van een veiligheidsgevoel en vertrouwen.

 Basis voor exploratie + latere sociale én emotionele ontwikkeling.

  • K. Lorenz : imprinting of inprenting

  • Bowlby : evolutionair belang, eerste levensjaren, interne representatie

  • Harlow : babyaapjes

  • Ainsworth : vreemdesituatieprocedure

  • Ontwikkeling van Hechting:

  • 0 – 2 maanden:

  • Sociale en communicatieve signalen: glimlachen, huilen, oogcontact.

  • Iedereen kan het kind troosten.

  • Matige herkenning ouders.

  • 2 – 7 maanden:

  • Lichte voorkeur voor bekenden (meer lachen, beter kunnen troosten)

  • 7 – 12 maanden:

  • Toenaderingsgedrag.

  • Scheidingsangst.

  • Vreemdenangst

  • Lagere schoolleeftijd:

  • Exploratie.

  • Loskomen van thuis.

  • Toenemend belang van vrienden en activiteiten.

  • Adolescentie:

  • Hechtingsrelaties opbouwen met vrienden

  • Volwassenheid:

  • Hechtingsrelatie opbouwen met romantische partner.

  • Aangaan van relaties met eigen kinderen.

  • Ontwikkelen onveilige hechting:

  1. Onaangenaam gevoel  kind weent

  2. Ouders (of opvoeders) reageren niet sensitief en responsief

  3. Intern werkmodel = beeld van de ouder als onveilige basis

  4. Verminderde exploratie

  5. Latere coping : onveilige hechting

  • Risico- en protectieve factoren:

  • Kindfactoren (intrapersoonlijk):

    • Gedrag van de baby: huilen, lachen, geluidjes maken,…

    • Temperament.

    • Goed slaap – en waakritme, vlot verlopend eetpatroon.

  • Ouderfactoren (interpersoonlijk):

    • Sensitiviteit ouders.

    • Responsiviteit ouders.

  • Life – events :

  • geboorte broers/zussen, scheiding,…

 Mismatch  mogelijkheid op hechtingsstoornis.

  • Wanneer reden tot bezorgdheid:

  • Criteria Ainsworth + Main en Solomon vreemde situatieprocedure:

  • Vermijdende hechting (25%):

      • Kind vermijdt verzorger bij terugkeer.

      • Exploratie, emotioneel uit evenwicht.

  • Angstig – ambivalente hechting (15%):

      • Ambivalente reactie : vastklampen + afwijzen.

      • Verminderde exploratie.

      • Uiting boosheid t.a.v. moeder.

  • Gedesorganiseerde hechting!:

      • Stereotype gedrag.

      • Verstijving.

      • Angst voor hechtingsfiguur.

      • Desoriëntatie.

  • Gevolgen onveilige hechting:

  • meer kans op :

    • problematische stressregulatie.

    • externaliserende gedragsproblemen in de kindertijd.

    • Agorafobie.

    • Depressie.

    • Wantrouwen.

  • Mogelijke hechtingsstoornissen: reactieve hechtingsstoornis, ‘bodemloosheid’, ‘failure to thrive’.

Lesbeurt 6 specialisatie: Normaal versus pathologische ontwikkeling:

1. Stress & burn-out:

Stel je voor dat je precies wist hoe elke dag van je leven zou verlopen en dat nooit iets zou gebeuren dat deze routine doorbreekt. Het werk dat je moet doen is best te dragen en elke dag krijg je voldoende eten voorgeschoteld. Dit zou een leven met weinig stress zijn (sommigen zouden dit zelfs saai vinden).

  • Stress = emotionele en lichamelijke reactie die optreedt wanneer iemand zich probeert aan te passen aan veranderingen die het normale dagelijkse leven verstoren of dreigen te verstoren en die een persoon dwingen om zich aan te passen.  Vele hebben bepaalde mate van stress nodig om optimaal te functioneren.

    • Verhoogd energieniveau: Lichaam produceert meer energie om om te kunnen gaan met nieuwe situatie waarin we optimaal kunnen functioneren in deze nieuwe sitaties.

    • Tijdelijk van aard : korter dan 12 weken

Bronnen van stress:

  • Wat zijn voor jullie bronnen van stress?

Oorzaken van stress:

Situaties

  • Belangrijke levensveranderingen (life events)

    • Begin van een veeleisende studie

    • Nieuwe baan ( Vb. Meer verantwoordelijkheid en geld krijgen, maar krijgt groter takenpakket).

    • Verhuizen

    • Overlijden van een dierbaar iemand

 Iedere levensverandering veroorzaakt stress, ook als er positieve gevolgen zijn.

  • Dagelijkse irritaties :

    • Opeenvolging van kleine irritaties

      • Vb. Er is een apparaat stuk, file, bus missen, platte banden,,…

  • Persoonlijkheid

    • Motivatie

 Hoge Motivatie, meer stress omdat ze er naar streven als zo goed mogelijk te doen.

    • Perfectionisme

 Gaan opdrachten perfect willen uitvoeren waarbij ze er meer tijd in investeren en minder tijd hebben voor de taken en leggen de lat vrij hoog.

    • Gevoelens slecht kunnen uiten

 Kan helpen om met mensen erover te praten om stress te verminderen.

    • Moeilijk steun vragen

 Willen alles zelf doen.

    • Moeilijk nee kunnen zeggen

 Alle opdrachten die ze krijgen toegewezen aannemen, krijgen ze meer werk, meer stress.

    • Pessimisme

 Meer stress.

  • Sociale steun: mensen die je begrijpen en bij wie je terecht kan.

 In stressvolle situaties terecht kunnen bij andere om erover te praten kan stress verminderen.

 Niet dat mensen gaan helpen met het verlichten van de opdrachten maar om je hart te luchten.

Gevolgen van stress:

  • Fysiologische veranderingen

    • ↘ werking immuniteitssysteem

 Vatbaar voor ziektes.

  • Psychische gevolgen

    • Emotionele functioneren : negatieve emoties zoals angst, somberheid, frustratie, woede, ..

    • Cognitieve functioneren : ↘ concentratie en ↘ prestatieniveau.

 Bepaalde mate nodig om goed te functioneren, te hoge mate stress heeft wel nadelen ( ook bij langdurige stress)

    • Gedragsmatig functioneren : gespannen gezicht, trillende stem, minder goed slapen, impulsief gedrag, rookgedrag bij rokers ↗, alcoholgebruik ↗, agressieve reacties, …

  • Gevolgen van stress zijn afhankelijk van hoe een persoon omgaat met de stress = coping.

    • Bij een gematigde hoeveelheid stress is er meestal een adequate coping door voldoende weerstand en ervaring, relativeringsvermogen, probleemoplossende vaardigheden, …

Omgaan met stress:

  • De stressfactoren aanpakken

    • Toenadering

      • Confrontatie aangaan ( Vb. studeren en er volledig voor gaan).

      • Sociale steun zoeken ( Vb. Nagaan hoe medestudenten ervoor staan)

      • Probleemoplossend gedrag ( vb. Duidelijke planning opstellen)

    • Vermijding

      • Negeren ( Vb. vragen van andere negeren om geen extra stress te ervaren.)

      • Minimaliseren

 Beste aanpak is afhankelijk van de situatie

kortdurende stresssituaties vooral vermijding (bv.: in fabriek werken en doen geruchten de ronden dat er ontslagen gaan vallen , beter vermijden anders zorgt het enkel voor meer stress), langdurende stresssituaties vooral toenadering omdat het dan niet mogelijk is om te vermijden.

  • De gevolgen van stress beperken:

    • Herinterpretatie

 Vb. Ga voor enkele minder goed leren en deze in herexamen doen en de belangrijke meer op focussen.

    • Lichamelijke symptomen

      • Ontsnappingsgedrag: kalmeringsmiddelen, alcohol. ( om lichamelijke gevolgen van stress te beperken)

      • Actieve aanpak : meer lichaamsbeweging, beter voeding, meer ontspanning,…

Wanneer reden tot bezorgdheid?:

  • Negatieve emoties (ontgoocheling, kwaadheid) Die heel regelmatig en lang aanwezig zijn.

  • Piekeren en twijfelen over het nut van hun werk  Taken wel doen maar nut ervan niet inzien.

  • Verminderde motivatie

 Kans op burn-out

  • Stress of burn-out?

    • Stress  spanning met bepaalde aanleiding ( Vb. Deadlines,..)

    • Overspannenheid langdurige stress, verlies van overzicht, onrustig. Herstel is mogelijk!

( klachten van vermoeidheid)

    • Burn-out  stressverschijnselen blijven aanwezig ook als de directe oorzaak van de stress wegvalt.

Burn- out:

  • Burn-out = toestand van mentale en emotionele uitputting ten gevolge van langdurige chronische overbelasting.

 Draagkracht/ draaglast.

 Draaglast = stress  Meer draagkracht ( energie) investeren om weegschaal in evenwicht te houden.

 Continu meer draaglast dan draagkracht dan worden mensen oververmoeid.

    • Komt vaak voor bij goed presterende, gemotiveerde en enthousiaste personen.

    • Trage opstapeling van klachten

    • Finale fase van langdurige, chronische stress

    • Emotionele uitputting

    • Kwaliteit van het werk ↘

Burn- out komt voor bij..

  • Vooral jonge werknemers

 Vaak gemotiveerd zijn, willen zich bewijzen  Meer kans ervaren stress.

  • Geen verschil tussen mannen en vrouwen

  • Hoge toewijding ten aanzien van hun werk

  • Hoge werkdruk Vele opdrachten kan leiden tot stress.

  • Rol ambiguïteit  Onduidelijke taak kan stress veroorzaken.

  • Gebrek aan sociale steun

Prevalentie burn- out:

  • Uiteenlopende bevindingen van 1% tot 48%

  • 14% van de werknemers!

Cijfers zijn moeilijk ‘precies’ weer te geven :

  • ≠ definitie

  • ≠ meetinstrumenten

 Geen voldoende onderscheid gemaakt met depressie.

  • ≠ depressie

  • Zelfrapportage?

Gevolgen van burn- out:

  • cfr. Gevolgen van stress

  • Emotionele uitputting : gevoel van leeg te zijn na overmatige psychologische en emotionele druk.

  • Lichamelijke uitputting

  • Verminderd engagement en motivatie

  • Gevoel van professioneel falen : het gevoel dat de eigen acties en inspanningen waardeloos zijn.

  • Verschillende lichamelijke klachten (rugpijn, nekpijn, spierpijn, vermoeidheid)

  • Laag zelfwaardegevoel

  • verlies of vermindering inkomen/werk (gemiddeld verzuim = 189 dagen!)

2. Lichaamsontevredenheid en body Dismorphic Disorder:

  • Midden volwassenheid : lichaamsveroudering.

    • Zintuigen en motoriek. Vb. verminderd zicht, gehoor, …

    • Vitale organen : verminderde capaciteit van hart en longen

    • Uitzicht van het lichaam. Vb. grijze haren, rimpels, …

  • Hoge waardering van jeugdigheid in cultuur zorgt voor minder/moeilijke aanvaarding van ouder worden  inspanningen om er jong te blijven uitzien

    • Diëten

    • Zalfjes en pilletjes

    • Conditietraining

    • Plastische chirurgie/ botox

Studie: Prevalence of body dissatisfaction among a united states adult sample ( Fallon, Harris & Johnson 2014):

Lichaamsbeeld (body image) : lichaamsgerelateerde zelfperceptie en zelfattitudes. De gedachten gevoelens en gedragingen in verband met het eigen lichaam.

Verhoogde kans op :

  • Eetstoornissen

  • Borstkanker  Negatief zelfbeeld  Minder laten onderzoeken  Minder in vroeg stadium ontdekt.

  • Aanhoudend rookgedrag

  • Doel van de studie :

    • Prevalentie van body dissatisfaction (BD) in de VS bij mannen en vrouwen

    • Verschillen in prevalentie van BD onderzoeken binnen verschillende subgroepen (geslacht, etniciteit, leeftijd, BMI)

    • De huidige prevalentie van BD vergelijken met resultaten van vorige studies

  • Studie discussie :

    • De gevonden prevalentie van BD is afwisselend afhankelijk van de specifieke meetinstrumenten die gebruikt worden.

      • 13.4% - 31.8% bij vrouwen

      • 9.0% - 28.4% bij mannen

    • Subgroepen:

      • BD komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen

      • BD komt vaker voor in de midden-volwassenheid dan bij jongeren (18-24 jaar) en bij ouderen (>65 jaar)  Die beginnen te verouderen terwijl het bij jongeren nog niet het geval is ( maken zich er minder zorgen over) mensen ouder dan 65 hebben het al aanvaard.

      • Geen significant verschil tussen groepen van een verschillende ras/etniciteit

      • BD stijgt met wanneer gewicht/BMI toeneemt

  • De prevalentie van BD is niet gestegen ten opzichte van metingen in 1973 tot 1997.

    • Ontevredenheid over het algemene uiterlijk is gedaald  Vaak gezegd dat mensen er steeds meer perfecter willen uitzien.

Mogelijke verklaringen :

    1. Programma’s die lichaamsaanvaarding faciliteren zijn succesvol

    2. Beperkingen in vorige studie zorgen voor een inaccurate schatting van prevalentie

 Studie uit de VS!!  Kunnen resultaten niet toepassen in Belgische populatie.

Wanneer reden tot bezorgdheid?:

  • Continuüm lichaamsontevredenheid

  • Lichaamsbeeld heeft een invloed op de zelfwaardering

  • Negatief zelfbeeld

  • Beperkte sociale steun

 Kan leiden tot eetstoornissen, stemmingsstoornissen, body dismorphic disorder (BDD = Body dismorphic disorder)

Body Dismorphic Disorder:

  • Body dismorphic disorder = een stoornis in de lichaamsbeleving die gekenmerkt wordt door een preoccupatie met een vermeend defect in het uiterlijk.

    • Minimaal defect zorgt voor overdreven bezorgdheid

    • De persoon wordt in significante mate gehinderd door de preoccupatie in het schools of beroepsmatig functioneren.

 Vb. Doordat iemand vindt dat oren niet gelijk staan en daardoor niet meer buiten willen komen, geen sociaal contact willen.

    • De preoccupatie is niet te wijten aan een andere stoornis, zoals bijvoorbeeld anorexia nervosa.

    • De andere zien niets verschillens, raar, maar persoon zelf voelt zich er wel door aangekeken.

    • Tijdrovend en chronisch

 Het geen ze lelijk vinden te camoufleren vergt veel tijd.

    • Evenveel mannen als vrouwen

  • Prevalentie : 1 tot 7%

  • Ontevreden of BDD?

    • Negatief zelfbeeld

    • Weinig zelfvertrouwen

    • Aanleg voor perfectionisme

    • Kritische opvoeders/hoge verwachting  Gaan proberen zo perfect mogelijk te zijn.

3. Ouderdomsvergeetachtigheid & dementie:

  • Late volwassenheid : ↘ cognitieve vaardigheden

    • Minimale achteruitgang tot 80 jaar

Invloed van : SES, intellectuele stimulering ( kan achteruitgang afremmen maar niet voorkomen), gezondheid, sociaal netwerk, persoonlijkheid, …

Vergeetachtigheid:

“Marie, weet je nog die film die we gezien hebben, met het 5-jarige jongetje die zo goed acteerde. Ik zou deze film graag aanbevelen aan een vriend. Wat was de titel van deze film ook al weer?”

“Dat weet ik niet meer, Louis. We hebben de laatste tijd verschillende films gezien en ik kan niet op de titel komen. Waar hebben we die film gezien? Wat gebeurde er net in de film? Vertel me iets meer dan kom ik er misschien achter.”

  • Normale ontwikkeling : iedereen vergeet al eens iets.

    • Ouder worden

      • Vergeten ↗

      • Tragere cognitieve verwerking

      • Minder onthouden (verminderde werking werkgeheugen)

 Grote individuele verschillen in achteruitgang.

Studie: everyday memory errors in older adults ( Ossher, Flegal, Lustig 2013):

  • Wetenschappelijke literatuur  meer geheugenproblemen in de late volwassenheid

  • Onderzoek naar specifieke geheugenproblemen in de late volwassenheid.

vb. vergeten wat je ging doen, het vergeten van een naam, vergeten of je iets gepland of gedaan hebt.

  • Bevindingen van de studie :

    • Kleine alledaagse geheugenfouten bij een groep gezonde, goed functionerende oudere volwassenen. Vooral verbale fouten.

    • Tip-of-the-tongue errors ( ergens iets niet op kunnen komen maar het gevoel hebben dat het op het puntje van je tong ligt  Tip- of- the tongue fenomeen)

    • Geheugen voor gezichten en namen is gevoelig voor cognitieve veroudering

    • Invloed van self-efficacy (=het vertrouwen van een persoon in de eigen bekwaamheid om een invloed uit te oefenen op zijn/haar omgeving)

  • Verval vooral in :

    • Werkgeheugen : informatie selecteren en verwerken

      • Centrale verwerker : aandacht verdelen, stimuli selecteren en/of negeren, informatie oproepen uit het langetermijngeheugen.

 recente herinneringen

    • Episodisch geheugen : specifieke gebeurtenissen die we hebben meegemaakt

Procedureel (uitvoeren van handelingen) en semantisch (feiten en kennis) geheugen blijven in tact.

Verklaringen: ( voor verminderde cognitieve capaciteiten)

  • Omgevingsfactoren

    • ↘ motivatie

    • Medicijnen ( niet steeds positief effect op hersenen)

    • Veranderende levensomstandigheden ( minder intellectueel gestimuleerd)

  • Foutieve informatieverwerking

    • trage informatieverwerking

    • ↘ concentratie

    • ↘ organisatie

    • ↗ afleidbaarheid

  • Biologische factoren

    • Verkleining frontaalkwabben

    • Afname van cellen hippocampus

    • ↘ bloedtoevoer hersenen

    • ↘ hormonen en proteïnen om hersenen te herstellen

Wanneer reden tot bezorgdheid:

  • Geheugenproblemen hebben een invloed op het werk, hobby’s, sociale activiteiten, familiale relaties, …

  • Symptomen die kunnen wijzen op dementie :

    • Moeilijk uitvoeren van taken

    • Verwardheid

    • Verandering van karakter/stemmingswisselingen

Ouderdomsvergeettachtigheid

Dementie

Bijna iedereen heeft het

5-7% mensen > 65 jaar

Het is niet abnormaal

Ziekte ( abnormaal)

Lastig maar niet hulpbehoevend

Hulpbehoevend

Alleen betrekking op het geheugen

Meer dan geheugenproblemen

Vergeten van details

Hele gebeurtenissen

Informatie aanwezig maar er niet op kunnen komen.

Informatie is niet opgeslagen.

Dementie:

  • Dementie is een ernstige aandoening die berust op een geleidelijke achteruitgang van het functioneren van de hersenen.

= verzamelnaam voor verschillende ziektes die leiden tot een achteruitgang van het geestelijk functioneren.

  • Geheugenproblemen worden zo ernstig dat beroepsmatig en sociaal functioneren verstoort.

 zorg en ondersteuning nodig , niet zelfstandig functioneren.

  • Problemen met het uitvoeren van eenvoudige functies. ( autorijden, aankleden,..)

  • Verwardheid en vergeetachtigheid

  • Vergissen van tijd en plaats

  • Taalproblemen

  • Beoordelingsvermogen

  • ↘ sociale activiteiten

  • Verandering gedrag en karakter

  • Onrust

  • Visuele problemen

  • Vormen van dementie :

    • Ziekte van Alzheimer

    • Vasculaire dementie

    • Frontotemporale dementie

 Verschillende ziektebeelden in te onderscheiden.

Prevalentie = 20% = 1/5

Vrouwen > mannen

Oudere leeftijd > jongere leeftijd

Studie : discourse changes in early alzeimer disease, mild cognitive impairment, and normal aging (chapman et al 2002):

  • Vroege detectie van Alzheimer (Alzheimer disease, AD) is belangrijk voor de behandeling.

  • AD = heterogene aandoening

  • Onderscheid tussen twee ≠ metingen :

    • Gist-based measures

      • Stabiel bij normale veroudering

    • Detail-based measures

      • ↘ normale veroudering en vroege AD

 Normale veroudering : gist-based processing compenseert voor detail-based processing

  • Drie groepen :

    • Cognitief normaal ouder wordende personen

    • Oudere personen met milde cognitieve problemen

    • Oudere personen met milde AD

  • Doel van de studie :

    • Gist-level processing vergelijken over de drie groepen

    • Detail-level processing vergelijken over de drie groepen

  • Bevindingen van de studie :

    • Personen met milde AD  meeste moeilijkheden met gist-level processing

    • Personen met milde cognitieve problemen  problemen met gist-level processing

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]