- •1.1: Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie:
- •Individuele ontwikkeling:
- •1.1.2: De invloed van cohorten op ontwikkeling: Ontwikkelen in een sociale wereld:
- •Normatieve historisch bepaalde invloeden:
- •Vb. 9/11; atoombom, rampen, Tsunami, oorlog, Banken crisis, Dutroux.
- •Leeftijdsgebonden invloeden:
- •Normatieve sociaal-cultureel bepaalde invloeden:
- •Niet- normatieve gebeurtenissen:
- •1.2: Kinderen: verleden, heden en toekomst:
- •1.2.1: Vroegere denkbeelden over kinderen:
- •Continue versus discontinue verandering
- •Levensloopmodel versus focus op specifieke perioden
- •Impact nature en nurture op ontwikkeling
- •Continue verandering versus discontinue verandering:
- •Kritieke en gevoelige perioden: de invloed van de omgeving:
- •Levensloopmodel versus focus op specifieke perioden:
- •De relatieve invloed van nature en nurture op de ontwikkeling:
- •Interactionisme:
- •Gevolgen voor de opvoeding van de kinderen en voor sociaal beleid:
- •2.1: Visies op kinderen:
- •2.1.1: Het psychodynamisch perspectief: focus op innerlijke krachten:
- •De psychoanalytische theorie van Freud:
- •Superego of über-ich
- •De orale fase (0 – 1,6 jaar):
- •De anaal-sadistische fase (1,6 – 3 jaar):
- •De fallische fase (3 – 5 à 6 jaar):
- •De genitale fase (11 - ... Jaar):
- •De psychosociale theorie van Erikson: Meningen over het psychodynamisch perspectief:
- •Van vrienden verwacht men een goede invloed hebben.
- •Vroegere psychosociale identiteit
- •Versterkt verzwakt
- •Verschilpunten Freud:
- •2.1.2: Het behavioristisch perspectief: focus op waarneembaar gedrag:
- •Klassieke conditionering:
- •Operante conditionering:
- •De sociaal-cognitieve leertheorie: leren door te imiteren:
- •Wie wordt als model gekozen?
- •2.1.3: Het cognitief perspectief: kijken naar de oorsprong van ons begrip:
- •3 Visies:
- •De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget:
- •De informatieverwerkingstheorie:
- •2.1.5: Het evolutionair perspectief: wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag:
- •2.1.6: Waarom ‘ welk perspectief is het juiste?’ De verkeerde is?:
- •3.1: Erfelijkheid:
- •3.1.1 Genen en chromosomen: De code van het leven:
- •3.1.6: Genetische advisering: De toekomst voorspellen aan de hand van genen:
- •3.2: De interactie tussen erfelijkheid en omgeving:
- •3.2.1: De rol van de omgeving: van genotype naar fenotype:
- •Interactie van factoren:
- •3.2.2: Een antwoord op het nature- nurture- raadsel:
- •3.2.7: Kunnen genen de omgeving beïnvloeden:
- •Actieve genotype- omgevingseffecten:
- •Passieve genotype – omgevingseffecten:
- •Evocatieve genotype- omgevingseffecten:
- •3.3: Prenatale groei en verandering:
- •3.3.2: De stadia van de prenatale periode: Het begin van de ontwikkeling:
- •Vanaf de embryonale fase van de moeder de baby voelen.
- •3.3.3: Problemen rond de conceptie:
- •3.3.4: De prenatale omgeving: Bedreigingen voor de ontwikkeling:
- •4.1: Geboorte:
- •4.1.2: Geboorte: van foetus tot pasgeborene:
- •4.2: Complicaties tijdens de geboorte:
- •4.2.1: Premature baby’s: te vroeg, te klein:
- •4.2.2: Postmature baby’s: te laat , te groot:
- •4.3: Wat een pasgeboren baby allemaal kan:
- •4.3.1: Fysieke vaardigheden: voldoen aan de eisen van een nieuwe omgeving:
- •4.3.3: Het leervermogen van de pasgeborene:
- •4.3.4: Sociale vaardigheden: Reageren op anderen:
- •5.1: Groei en ontwikkeling:
- •5.1.1: Fysieke groei: de snelle schreden van de babytijd:
- •4 Principes van groei: ( meerkeuzevraag: waar hoort dit voorbeeld bij)
- •5.1.2: Het zenuwstelsel en de hersenen: De fundamenten van onze ontwikkeling:
- •5.1.3: Integratie van de lichaamssystemen: de cycli van de babytijd:
- •5.2: De motorische ontwikkeling:
- •5.2.1: Reflexen: onze aangeboren fysieke vaardigheden:
- •5.2.2: Motorische ontwikkeling bij baby’s: fysieke mijlpalen:
- •5.2.4: Voeding in de babytijd: De brandstof voor de motorische ontwikkeling:
- •5.3.2: Auditieve perceptie: de wereld van het geluid:
- •5.3.3: Geur & smaak:
- •5.3.4: Gevoeligheid voor pijn & aanrakingen:
- •5.3.5: Multimodale perceptie: De input van individuele zintuigen gecombineerd:
- •6.1: Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •6.1.1: Belangrijke elementen van Piagets theorie:
- •6.1.2: De sensomotorische periode: De basis van de vroege cognitieve groei:
- •6.1.3: Meningen over Piaget: Steun en kritiek:
- •6.2: De informatieverwerkingstheorie van cognitieve ontwikkeling:
- •6.2.1: Codering, opslag & ophalen: De grondslagen van informatieverwerking:
- •6.2.2: Het geheugen in de babytijd:
- •Vraagje:
- •6.2.3: Individuele verschillen in intelligentie: is de ene baby slimmer dan de anderen?:
- •Individuele intelligentieverschillen: De informatieverwerkingstheorie:
- •6.3: De wortels van onze taal:
- •6.3.1: De basisbeginselen van taal: van geluiden naar symbolen:
- •Vroegere geluiden & communicatie:
- •6.3.2: Het ontstaan van taalontwikkeling:
- •6.3.3: Praten tegen kleine kinderen : Babytaal:
- •7.1: De basis van sociaal gedrag:
- •7.1.1: Emoties in de babytijd: kennen baby’s emotionele pieken en dalen?:
- •Vreemdenangst & scheidingsangst:
- •7.1.2: Social referencing: voelen wat anderen voelen:
- •2 Verklaringen voor social referencing:
- •7.1.3: De ontwikkeling van het ik: Weten baby’s wie ze zijn?:
- •7.1.4: Theory of mind: Hoe baby’s het mentale leven van anderen en van zichzelf zien:
- •7.2: Relaties aangaan:
- •7.2.1: Hechting: het vormen van sociale banden:
- •7.2.2: De totstandkoming van hechting: De rollen van moeder & vader:
- •Vaders & hechting:
- •7.2.3: Interactie met baby’s: ontluikende relaties:
- •7.2.4: De sociale omgang van baby’s met leeftijdgenoten: interactie tussen baby’s:
- •7.3: Verschillen tussen baby’s:
- •7.3.1: Persoonlijkheidsontwikkeling: kenmerken die baby’s uniek maken:
- •7.3.2: Temperament: stabiele factoren in het gedrag van een kind:
- •7.3.3: Gender: Jongens in het blauw, meisjes in het roze:
- •8.1: Fysieke groei:
- •8.1.1: Het groeiende lichaam:
- •Individuele verschillen in lengte & gewicht:
- •Veranderingen in lichaamsvorm – en structuur:
- •8.1.2: De groeiende hersenen:
- •8.1.3: Het verband tussen groei van de hersenen en cognitieve ontwikkeling:
- •8.1.4: De ontwikkeling van de zintuigen:
- •8.2: De motorische ontwikkeling:
- •8.2.1: De grove motoriek:
- •8.2.2: De fijne motoriek:
- •8.2.3: Zindelijk worden: Wanneer en hoe?:
- •8.2.5: De tekening als graadmeter van ontwikkeling:
- •Vanaf 6 jaar:
- •Vanaf 7 jaar:
- •Vlakverdeling
- •Vormstadium - vlakverdelingspatronen
- •Vraag: Bij welk stadium horen deze tekeningen?
- •9.1:De intellectuele ontwikkeling:
- •9.1.1: Piagets stadium van pre operationeel denken:
- •3 Kenmerken:
- •Intuïtief denken (4 à 5 – 7 jaar):
- •4 Onvolkomenheden in het preoperationeel denken: (belangrijke fouten)
- •Voorbeeldvragen
- •Gecentreerd denken
- •Onvolledig begrip van transformaties
- •10.1: Een antwoord op de vraag ‘ wie ben ik’?:
- •10.1.1: De persoonlijkheidsontwikkeling: Conflicten oplossen:
- •10.1.2: Het zelfbeeld in de peuter & kleutertijd:
- •10.1.3: Genderidentiteit: Het ontstaan van mannelijkheid & vrouwelijkheid:
- •Voorbeeldvragen:
- •10.2: Vrienden & familie: Het sociale leven van peuters & kleuters:
- •10.2.1: Het ontstaan van vriendschappen:
- •10.2.2: De regels van het spel:
- •10.2.3: De theory of mind van peuters & kleuters: begrippen wat anderen denken:
- •10.3: Morele ontwikkeling & agressie:
- •10.3.1: Het ontstaan van moreel besef: Goed & fout in de maatschappij:
- •12.1: De intellectuele & taalkundige ontwikkeling:
- •12.1.1: De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •12.1.2: Informatieverwerking in schooltijd:
- •Verbetering van geheugen:
- •12.1.4: Taalontwikkeling: de betekenis van woorden:
- •12.3: Onderwijs: Lezen, schrijven & rekenen ( & meer):
- •12.3.3: Lezen: Het leren ontcijferen van de betekenis van woorden:
- •13.1: De ontwikkeling van het eigen ik:
- •13.1.1: De psychosociale ontwikkeling in de schooltijd: Vlijt versus minderwaardigheid:
- •13.1.2: Een nieuw antwoord op de vraag: wie ben ik?:
- •Verschuiving van fysieke naar psychologische karakterisering van het ik:
- •13.1.3: Eigenwaarde: hoe kinderen een beeld van zichzelf ontwikkelen:
- •13.2: Relaties: Vriendschappen in de schooltijd:
- •13.2.1: Stadia van vriendschap: Een veranderende kijk op vrienden:
- •13.2.3: Gender & vriendschap: Segregatie van de seksen in de schooltijd:
- •13.2.4: Interetnische vriendschappen: integratie binnen & buiten het klaslokaal:
- •13.2.5: Pesten op school & online:
- •14.1: Fysieke rijping:
- •14.1.1: Groei in de adolescentie: Het snelle tempo van de fysieke rijping:
- •14.1.2: Puberteit: het begin van de seksuele rijping:
- •14.1.3: Beeld van het eigen lichaam: Reacties op fysieke veranderingen in de adolescentie:
- •14.1.4: De timing van de puberteit: Gevolgen van vroege & late rijping:
- •Vroege rijping:
- •14.3: Bedreigingen van het welzijn van adolescenten:
- •14.3.2: Drugs:
- •14.3.4: Tabak: De gevaren van roken:
- •14.3.5: Seksueel overdraagbare aandoeningen:
- •Verschillen naar opleidingsniveau:
- •15.1 De intellectuele ontwikkeling:
- •15.1.1: De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •15.1.2: De informatieverwerkingstheorie: geleidelijke veranderingen in vermogens:
- •15.1.3: De adolescent als het middelpunt van het universum:
- •15.2: De morele ontwikkeling:
- •15.2.1: Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling:
- •15.3: Schoolprestaties en cognitieve ontwikkeling:
- •15.3.1: De overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs: (niet kennen)
- •15.3.2: Sociaaleconomisch status en schoolprestaties: individuele prestatieverschillen: (niet kennen)
- •Veiligheid op school en kwaliteit van het onderwijs:
- •15.3.3: Etnische verschillen in schoolprestaties: (niet kennen)
- •15.3.8: Gender & prestaties in het hoger onderwijs:
- •Verschillen tussen werkende en studerende jongeren?
- •15.4: Het kiezen van een beroep: Het werk van je leven:
- •15.4.1: De 3 perioden van Ginzberg:
- •15.4.2: De 6 persoonlijkheidstypen van Holland:
- •15.4.3: Gender & carrièrekeuze: Vrouwenwerk:
- •16.1: Identiteit: Een antwoord op de vraag ‘ Wie ben ik?’:
- •16.1.1: Zelfbeeld/ Eigenwaarde: Beschrijving van het ik:
- •16.1.2: Eigenwaarde: Beoordeling van het ik: ( 16.1.1)
- •16.1.3: Identiteitsvorming in de adolescentie: Verandering of crisis?:
- •16.1.4: Marcia’s theorie van identiteitsontwikkeling:
- •Vraagje: welke identiteitsstatus is hier van toepassing?:
- •16.2: Relaties: Familie en vrienden:
- •16.2.1: Familiebanden: Veranderende relaties binnen het gezin:
- •16.2.2: Ouder-kind conflicten in de adolescentie:
- •16.2.3: Relaties met leeftijdgenoten: Het belang van ‘erbij horen’:
- •Vriendenclubs en subculturen: Bij een groep horen:
- •16.2.5: Conformiteit: Peer pressure in de adolescentie:
- •Inleiding:
- •Agressie:
- •Koppigheid:
- •Slaapproblemen:
- •Hechting:
- •Volwassenheid:
- •Intimiteit.
- •Volgende les: laatste lesbeurt.
- •10.2: Cognitieve ontwikkeling:
- •2 Visies:
- •Contextuele theorie voor intelligentie (Sternberg):
- •10.3: Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling:
Hechting:
Normale hechting = belangrijke ontwikkelingstaak voor de opbouw van een veiligheidsgevoel en vertrouwen.
Basis voor exploratie + latere sociale én emotionele ontwikkeling.
K. Lorenz : imprinting of inprenting
Bowlby : evolutionair belang, eerste levensjaren, interne representatie
Harlow : babyaapjes
Ainsworth : vreemdesituatieprocedure
Ontwikkeling van Hechting:
0 – 2 maanden:
Sociale en communicatieve signalen: glimlachen, huilen, oogcontact.
Iedereen kan het kind troosten.
Matige herkenning ouders.
2 – 7 maanden:
Lichte voorkeur voor bekenden (meer lachen, beter kunnen troosten)
7 – 12 maanden:
Toenaderingsgedrag.
Scheidingsangst.
Vreemdenangst
Lagere schoolleeftijd:
Exploratie.
Loskomen van thuis.
Toenemend belang van vrienden en activiteiten.
Adolescentie:
Hechtingsrelaties opbouwen met vrienden
Volwassenheid:
Hechtingsrelatie opbouwen met romantische partner.
Aangaan van relaties met eigen kinderen.
Ontwikkelen onveilige hechting:
Onaangenaam gevoel kind weent
Ouders (of opvoeders) reageren niet sensitief en responsief
Intern werkmodel = beeld van de ouder als onveilige basis
Verminderde exploratie
Latere coping : onveilige hechting
Risico- en protectieve factoren:
Kindfactoren (intrapersoonlijk):
Gedrag van de baby: huilen, lachen, geluidjes maken,…
Temperament.
Goed slaap – en waakritme, vlot verlopend eetpatroon.
Ouderfactoren (interpersoonlijk):
Sensitiviteit ouders.
Responsiviteit ouders.
Life – events :
geboorte broers/zussen, scheiding,…
Mismatch mogelijkheid op hechtingsstoornis.
Wanneer reden tot bezorgdheid:
Criteria Ainsworth + Main en Solomon vreemde situatieprocedure:
Vermijdende hechting (25%):
Kind vermijdt verzorger bij terugkeer.
Exploratie, emotioneel uit evenwicht.
Angstig – ambivalente hechting (15%):
Ambivalente reactie : vastklampen + afwijzen.
Verminderde exploratie.
Uiting boosheid t.a.v. moeder.
Gedesorganiseerde hechting!:
Stereotype gedrag.
Verstijving.
Angst voor hechtingsfiguur.
Desoriëntatie.
Gevolgen onveilige hechting:
meer kans op :
problematische stressregulatie.
externaliserende gedragsproblemen in de kindertijd.
Agorafobie.
Depressie.
Wantrouwen.
…
Mogelijke hechtingsstoornissen: reactieve hechtingsstoornis, ‘bodemloosheid’, ‘failure to thrive’.
Lesbeurt 6 specialisatie: Normaal versus pathologische ontwikkeling:
1. Stress & burn-out:
Stel je voor dat je precies wist hoe elke dag van je leven zou verlopen en dat nooit iets zou gebeuren dat deze routine doorbreekt. Het werk dat je moet doen is best te dragen en elke dag krijg je voldoende eten voorgeschoteld. Dit zou een leven met weinig stress zijn (sommigen zouden dit zelfs saai vinden).
Stress = emotionele en lichamelijke reactie die optreedt wanneer iemand zich probeert aan te passen aan veranderingen die het normale dagelijkse leven verstoren of dreigen te verstoren en die een persoon dwingen om zich aan te passen. Vele hebben bepaalde mate van stress nodig om optimaal te functioneren.
Verhoogd energieniveau: Lichaam produceert meer energie om om te kunnen gaan met nieuwe situatie waarin we optimaal kunnen functioneren in deze nieuwe sitaties.
Tijdelijk van aard : korter dan 12 weken
Bronnen van stress:
Wat zijn voor jullie bronnen van stress?
Oorzaken van stress:
Situaties
Belangrijke levensveranderingen (life events)
Begin van een veeleisende studie
Nieuwe baan ( Vb. Meer verantwoordelijkheid en geld krijgen, maar krijgt groter takenpakket).
Verhuizen
Overlijden van een dierbaar iemand
Iedere levensverandering veroorzaakt stress, ook als er positieve gevolgen zijn.
Dagelijkse irritaties :
Opeenvolging van kleine irritaties
Vb. Er is een apparaat stuk, file, bus missen, platte banden,,…
Persoonlijkheid
Motivatie
Hoge Motivatie, meer stress omdat ze er naar streven als zo goed mogelijk te doen.
Perfectionisme
Gaan opdrachten perfect willen uitvoeren waarbij ze er meer tijd in investeren en minder tijd hebben voor de taken en leggen de lat vrij hoog.
Gevoelens slecht kunnen uiten
Kan helpen om met mensen erover te praten om stress te verminderen.
Moeilijk steun vragen
Willen alles zelf doen.
Moeilijk nee kunnen zeggen
Alle opdrachten die ze krijgen toegewezen aannemen, krijgen ze meer werk, meer stress.
Pessimisme
Meer stress.
Sociale steun: mensen die je begrijpen en bij wie je terecht kan.
In stressvolle situaties terecht kunnen bij andere om erover te praten kan stress verminderen.
Niet dat mensen gaan helpen met het verlichten van de opdrachten maar om je hart te luchten.
Gevolgen van stress:
Fysiologische veranderingen
↘ werking immuniteitssysteem
Vatbaar voor ziektes.
Psychische gevolgen
Emotionele functioneren : negatieve emoties zoals angst, somberheid, frustratie, woede, ..
Cognitieve functioneren : ↘ concentratie en ↘ prestatieniveau.
Bepaalde mate nodig om goed te functioneren, te hoge mate stress heeft wel nadelen ( ook bij langdurige stress)
Gedragsmatig functioneren : gespannen gezicht, trillende stem, minder goed slapen, impulsief gedrag, rookgedrag bij rokers ↗, alcoholgebruik ↗, agressieve reacties, …
Gevolgen van stress zijn afhankelijk van hoe een persoon omgaat met de stress = coping.
Bij een gematigde hoeveelheid stress is er meestal een adequate coping door voldoende weerstand en ervaring, relativeringsvermogen, probleemoplossende vaardigheden, …
Omgaan met stress:
De stressfactoren aanpakken
Toenadering
Confrontatie aangaan ( Vb. studeren en er volledig voor gaan).
Sociale steun zoeken ( Vb. Nagaan hoe medestudenten ervoor staan)
Probleemoplossend gedrag ( vb. Duidelijke planning opstellen)
Vermijding
Negeren ( Vb. vragen van andere negeren om geen extra stress te ervaren.)
Minimaliseren
Beste aanpak is afhankelijk van de situatie
kortdurende stresssituaties vooral vermijding (bv.: in fabriek werken en doen geruchten de ronden dat er ontslagen gaan vallen , beter vermijden anders zorgt het enkel voor meer stress), langdurende stresssituaties vooral toenadering omdat het dan niet mogelijk is om te vermijden.
De gevolgen van stress beperken:
Herinterpretatie
Vb. Ga voor enkele minder goed leren en deze in herexamen doen en de belangrijke meer op focussen.
Lichamelijke symptomen
Ontsnappingsgedrag: kalmeringsmiddelen, alcohol. ( om lichamelijke gevolgen van stress te beperken)
Actieve aanpak : meer lichaamsbeweging, beter voeding, meer ontspanning,…
Wanneer reden tot bezorgdheid?:
Negatieve emoties (ontgoocheling, kwaadheid) Die heel regelmatig en lang aanwezig zijn.
Piekeren en twijfelen over het nut van hun werk Taken wel doen maar nut ervan niet inzien.
Verminderde motivatie
Kans op burn-out
Stress of burn-out?
Stress spanning met bepaalde aanleiding ( Vb. Deadlines,..)
Overspannenheid langdurige stress, verlies van overzicht, onrustig. Herstel is mogelijk!
( klachten van vermoeidheid)
Burn-out stressverschijnselen blijven aanwezig ook als de directe oorzaak van de stress wegvalt.
Burn- out:
Burn-out = toestand van mentale en emotionele uitputting ten gevolge van langdurige chronische overbelasting.
Draagkracht/ draaglast.
Draaglast = stress Meer draagkracht ( energie) investeren om weegschaal in evenwicht te houden.
Continu meer draaglast dan draagkracht dan worden mensen oververmoeid.
Komt vaak voor bij goed presterende, gemotiveerde en enthousiaste personen.
Trage opstapeling van klachten
Finale fase van langdurige, chronische stress
Emotionele uitputting
Kwaliteit van het werk ↘
Burn- out komt voor bij..
Vooral jonge werknemers
Vaak gemotiveerd zijn, willen zich bewijzen Meer kans ervaren stress.
Geen verschil tussen mannen en vrouwen
Hoge toewijding ten aanzien van hun werk
Hoge werkdruk Vele opdrachten kan leiden tot stress.
Rol ambiguïteit Onduidelijke taak kan stress veroorzaken.
Gebrek aan sociale steun
Prevalentie burn- out:
Uiteenlopende bevindingen van 1% tot 48%
14% van de werknemers!
Cijfers zijn moeilijk ‘precies’ weer te geven :
≠ definitie
≠ meetinstrumenten
Geen voldoende onderscheid gemaakt met depressie.
≠ depressie
Zelfrapportage?
Gevolgen van burn- out:
cfr. Gevolgen van stress
Emotionele uitputting : gevoel van leeg te zijn na overmatige psychologische en emotionele druk.
Lichamelijke uitputting
Verminderd engagement en motivatie
Gevoel van professioneel falen : het gevoel dat de eigen acties en inspanningen waardeloos zijn.
Verschillende lichamelijke klachten (rugpijn, nekpijn, spierpijn, vermoeidheid)
Laag zelfwaardegevoel
verlies of vermindering inkomen/werk (gemiddeld verzuim = 189 dagen!)
2. Lichaamsontevredenheid en body Dismorphic Disorder:
Midden volwassenheid : lichaamsveroudering.
Zintuigen en motoriek. Vb. verminderd zicht, gehoor, …
Vitale organen : verminderde capaciteit van hart en longen
Uitzicht van het lichaam. Vb. grijze haren, rimpels, …
Hoge waardering van jeugdigheid in cultuur zorgt voor minder/moeilijke aanvaarding van ouder worden inspanningen om er jong te blijven uitzien
Diëten
Zalfjes en pilletjes
Conditietraining
Plastische chirurgie/ botox
Studie: Prevalence of body dissatisfaction among a united states adult sample ( Fallon, Harris & Johnson 2014):
Lichaamsbeeld (body image) : lichaamsgerelateerde zelfperceptie en zelfattitudes. De gedachten gevoelens en gedragingen in verband met het eigen lichaam.
Verhoogde kans op :
Eetstoornissen
Borstkanker Negatief zelfbeeld Minder laten onderzoeken Minder in vroeg stadium ontdekt.
Aanhoudend rookgedrag
Doel van de studie :
Prevalentie van body dissatisfaction (BD) in de VS bij mannen en vrouwen
Verschillen in prevalentie van BD onderzoeken binnen verschillende subgroepen (geslacht, etniciteit, leeftijd, BMI)
De huidige prevalentie van BD vergelijken met resultaten van vorige studies
Studie discussie :
De gevonden prevalentie van BD is afwisselend afhankelijk van de specifieke meetinstrumenten die gebruikt worden.
13.4% - 31.8% bij vrouwen
9.0% - 28.4% bij mannen
Subgroepen:
BD komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen
BD komt vaker voor in de midden-volwassenheid dan bij jongeren (18-24 jaar) en bij ouderen (>65 jaar) Die beginnen te verouderen terwijl het bij jongeren nog niet het geval is ( maken zich er minder zorgen over) mensen ouder dan 65 hebben het al aanvaard.
Geen significant verschil tussen groepen van een verschillende ras/etniciteit
BD stijgt met wanneer gewicht/BMI toeneemt
De prevalentie van BD is niet gestegen ten opzichte van metingen in 1973 tot 1997.
Ontevredenheid over het algemene uiterlijk is gedaald Vaak gezegd dat mensen er steeds meer perfecter willen uitzien.
Mogelijke verklaringen :
Programma’s die lichaamsaanvaarding faciliteren zijn succesvol
Beperkingen in vorige studie zorgen voor een inaccurate schatting van prevalentie
Studie uit de VS!! Kunnen resultaten niet toepassen in Belgische populatie.
Wanneer reden tot bezorgdheid?:
Continuüm lichaamsontevredenheid
Lichaamsbeeld heeft een invloed op de zelfwaardering
Negatief zelfbeeld
Beperkte sociale steun
Kan leiden tot eetstoornissen, stemmingsstoornissen, body dismorphic disorder (BDD = Body dismorphic disorder)
Body Dismorphic Disorder:
Body dismorphic disorder = een stoornis in de lichaamsbeleving die gekenmerkt wordt door een preoccupatie met een vermeend defect in het uiterlijk.
Minimaal defect zorgt voor overdreven bezorgdheid
De persoon wordt in significante mate gehinderd door de preoccupatie in het schools of beroepsmatig functioneren.
Vb. Doordat iemand vindt dat oren niet gelijk staan en daardoor niet meer buiten willen komen, geen sociaal contact willen.
De preoccupatie is niet te wijten aan een andere stoornis, zoals bijvoorbeeld anorexia nervosa.
De andere zien niets verschillens, raar, maar persoon zelf voelt zich er wel door aangekeken.
Tijdrovend en chronisch
Het geen ze lelijk vinden te camoufleren vergt veel tijd.
Evenveel mannen als vrouwen
Prevalentie : 1 tot 7%
Ontevreden of BDD?
Negatief zelfbeeld
Weinig zelfvertrouwen
Aanleg voor perfectionisme
Kritische opvoeders/hoge verwachting Gaan proberen zo perfect mogelijk te zijn.
3. Ouderdomsvergeetachtigheid & dementie:
Late volwassenheid : ↘ cognitieve vaardigheden
Minimale achteruitgang tot 80 jaar
Invloed van : SES, intellectuele stimulering ( kan achteruitgang afremmen maar niet voorkomen), gezondheid, sociaal netwerk, persoonlijkheid, …
Vergeetachtigheid:
“Marie, weet je nog die film die we gezien hebben, met het 5-jarige jongetje die zo goed acteerde. Ik zou deze film graag aanbevelen aan een vriend. Wat was de titel van deze film ook al weer?”
“Dat weet ik niet meer, Louis. We hebben de laatste tijd verschillende films gezien en ik kan niet op de titel komen. Waar hebben we die film gezien? Wat gebeurde er net in de film? Vertel me iets meer dan kom ik er misschien achter.”
Normale ontwikkeling : iedereen vergeet al eens iets.
Ouder worden
Vergeten ↗
Tragere cognitieve verwerking
Minder onthouden (verminderde werking werkgeheugen)
Grote individuele verschillen in achteruitgang.
Studie: everyday memory errors in older adults ( Ossher, Flegal, Lustig 2013):
Wetenschappelijke literatuur meer geheugenproblemen in de late volwassenheid
Onderzoek naar specifieke geheugenproblemen in de late volwassenheid.
vb. vergeten wat je ging doen, het vergeten van een naam, vergeten of je iets gepland of gedaan hebt.
Bevindingen van de studie :
Kleine alledaagse geheugenfouten bij een groep gezonde, goed functionerende oudere volwassenen. Vooral verbale fouten.
Tip-of-the-tongue errors ( ergens iets niet op kunnen komen maar het gevoel hebben dat het op het puntje van je tong ligt Tip- of- the tongue fenomeen)
Geheugen voor gezichten en namen is gevoelig voor cognitieve veroudering
Invloed van self-efficacy (=het vertrouwen van een persoon in de eigen bekwaamheid om een invloed uit te oefenen op zijn/haar omgeving)
Verval vooral in :
Werkgeheugen : informatie selecteren en verwerken
Centrale verwerker : aandacht verdelen, stimuli selecteren en/of negeren, informatie oproepen uit het langetermijngeheugen.
recente herinneringen
Episodisch geheugen : specifieke gebeurtenissen die we hebben meegemaakt
Procedureel (uitvoeren van handelingen) en semantisch (feiten en kennis) geheugen blijven in tact.
Verklaringen: ( voor verminderde cognitieve capaciteiten)
Omgevingsfactoren
↘ motivatie
Medicijnen ( niet steeds positief effect op hersenen)
Veranderende levensomstandigheden ( minder intellectueel gestimuleerd)
Foutieve informatieverwerking
trage informatieverwerking
↘ concentratie
↘ organisatie
↗ afleidbaarheid
Biologische factoren
Verkleining frontaalkwabben
Afname van cellen hippocampus
↘ bloedtoevoer hersenen
↘ hormonen en proteïnen om hersenen te herstellen
Wanneer reden tot bezorgdheid:
Geheugenproblemen hebben een invloed op het werk, hobby’s, sociale activiteiten, familiale relaties, …
Symptomen die kunnen wijzen op dementie :
Moeilijk uitvoeren van taken
Verwardheid
Verandering van karakter/stemmingswisselingen
Ouderdomsvergeettachtigheid |
Dementie |
Bijna iedereen heeft het |
5-7% mensen > 65 jaar |
Het is niet abnormaal |
Ziekte ( abnormaal) |
Lastig maar niet hulpbehoevend |
Hulpbehoevend |
Alleen betrekking op het geheugen |
Meer dan geheugenproblemen |
Vergeten van details |
Hele gebeurtenissen |
Informatie aanwezig maar er niet op kunnen komen. |
Informatie is niet opgeslagen. |
Dementie:
Dementie is een ernstige aandoening die berust op een geleidelijke achteruitgang van het functioneren van de hersenen.
= verzamelnaam voor verschillende ziektes die leiden tot een achteruitgang van het geestelijk functioneren.
Geheugenproblemen worden zo ernstig dat beroepsmatig en sociaal functioneren verstoort.
zorg en ondersteuning nodig , niet zelfstandig functioneren.
Problemen met het uitvoeren van eenvoudige functies. ( autorijden, aankleden,..)
Verwardheid en vergeetachtigheid
Vergissen van tijd en plaats
Taalproblemen
Beoordelingsvermogen
↘ sociale activiteiten
Verandering gedrag en karakter
Onrust
Visuele problemen
Vormen van dementie :
Ziekte van Alzheimer
Vasculaire dementie
Frontotemporale dementie
Verschillende ziektebeelden in te onderscheiden.
Prevalentie = 20% = 1/5
Vrouwen > mannen
Oudere leeftijd > jongere leeftijd
Studie : discourse changes in early alzeimer disease, mild cognitive impairment, and normal aging (chapman et al 2002):
Vroege detectie van Alzheimer (Alzheimer disease, AD) is belangrijk voor de behandeling.
AD = heterogene aandoening
Onderscheid tussen twee ≠ metingen :
Gist-based measures
Stabiel bij normale veroudering
Detail-based measures
↘ normale veroudering en vroege AD
Normale veroudering : gist-based processing compenseert voor detail-based processing
Drie groepen :
Cognitief normaal ouder wordende personen
Oudere personen met milde cognitieve problemen
Oudere personen met milde AD
Doel van de studie :
Gist-level processing vergelijken over de drie groepen
Detail-level processing vergelijken over de drie groepen
Bevindingen van de studie :
Personen met milde AD meeste moeilijkheden met gist-level processing
Personen met milde cognitieve problemen problemen met gist-level processing
