Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать
  1. Koppigheid:

Mijn jongste dochter (3) heeft al altijd een sterk karakter gehad, maar haar kuren worden hoe langer hoe erger. Luisteren doet ze gewoon niet. Zelfs de juf zegt dat ze zelden een kindje gehad heeft dat zo halsstarrig volhoudt in het koppig zijn. We zien dus geen spoken. Ik heb het gevoel dat het uit de hand loopt. Ik zeg veel te vaak dat ze stout is, waardoor ik me schuldig voel nadien. Ik probeer het gedrag te negeren, ik probeer consequent te zijn, maar het lukt me duidelijk van geen kanten.”

  • Driftbuien:

  • Driftbui: wordt veroorzaakt door iets klein, maar de reactie is heel hevig en buiten proportie.

  • Verzet: kind reageert op uitgesproken manier tegen een handeling die door een mentaal of fysisch superieur persoon tegen het kind gericht wordt

  • Koppigheidsfase:

  • 1,5 – 3 jaar:

  • Discrepantie tussen het inzicht in de eisen van de omgeving (intellectueel vermogen) en de behoeften en drang naar activiteiten bij het kind.

  • Vb. “Nee!”, “Wil niet!”

  • Niet bij elk kind.

  • Gemiddeld 5 keer per dag.

  • Enkele minuten.

  • Geen duidelijke geslachtsverschillen.

  • Oorzaak koppigheid:

  • Ontwikkelen zelfbewustzijn.

  • Intentioneel : proberen de eigen zin te krijgen.

  • Toenemende zelfstandigheid, autonomie.

  • Egocentrisme.

  • Gebrekkige impulscontrole.

  • Signaal dieperliggende problemen:

    • Moeilijk temperament : prikkelbaar, emotioneel fel reageren.

    • Gevoelsmatig tekort in babytijd.

    • Opvoedingsproblemen:

  • Te toegeeflijk.

  • Te driftig.

  • Te toegeeflijke opvoeding: ouders durven niet optreden uit angst voor verzet of uit angst om de liefde van het kind te verliezen.

  • Te driftig: overreageren van ouders.

    • Ouders zijn rolmodel  bestendigen driftig gedrag.

    • Stressvolle omgeving.

  • Wanneer reden tot bezorgdheid?:

  • Af en toe driftbuien, druk doen, tegenspreken, ongehoorzaam zijn, irritatie en boosheid zijn normaal tijdens kleutertijd en lagere schooltijd.

  • Gefixeerd patroon na 3 jaar  probleem?

    • Prikkelbaarheid.

    • Hevige woedebuien.

    • Ongecontroleerde agressie.

    • Impulsiviteit.

    • Ontroostbaarheid.

    • Ontevredenheid.

  1. Slaapproblemen:

  • Functies van slaap:

  1. Rust .

  2. Herstellend:

    • opnieuw aanvullen van stoffen.

    • verwerken van informatie (psychische verwerking)

  3. Groei.

  • Soorten slaap:

  • Actieve slaap of REM-slaap: hoge activiteit in de hersenen, moeilijk te wekken (=diepteslaap).

  • Reguliere slaap of non-remslaap.

  • Slaapbehoeften:

  • 0 – 3 maanden : 16 à 20 uur.

  • 3 – 12 maanden : 13 à 14 uur.

  • 1 – 3 jaar : 12 à 13 uur.

  • 4 – 7 jaar : 10 à 11 uur.

  • 8 – 11 jaar : 9 à 10 uur.

  • 12 – 15 jaar : 8 à 10 uur.

Opgelet : grote individuele verschillen in slaapbehoefte!

  • Normale slaapontwikkeling:

  • Pasgeboren : slaap-waakcycli worden gereguleerd door honger en verzadiging, nog geen regelmatig dag – en – nachtritme.

  • Peuter – en kleutertijd : 29% heeft problemen met naar bed gaan, inslapen dan wel met doorslapen (Zuckerman e.a. 1987).

    • Problemen doorgaans tijdelijk.

    • Verklaringen :

      • Angst? (voor separatie, donker, …)

      • Hoe gaat de omgeving om met het probleem? Aandacht?

      • Koppigheidsfase.

Film: Succesfully getting the kids to sleep. Supernanny US.

  • Wanneer reden tot bezorgdheid?:

  • Als slaapproblemen blijven persisteren:

    • risico op latere emotionele problemen.

    • risico op latere gedragsmatige problemen.

    • Risico op opvoedingsproblemen bij ouders.

  • Criteria van Rutter (1975) bepalen ernst :

  • Leeftijdsadequaat.

  • Duur.

  • Omstandigheden.

  • Socioculturele setting.

  • Hoeveelheid en frequentie.

  • Type probleem en mate van voorkomen.

  • Intensiteit.

  • Verandering van gedrag.

  • Situatiegebondenheid.

  • Oorzaken:

  • Organische factoren

  • vb. rijping zenuwstelsel.

  • Kindfactoren (intrapersoonlijk):

  • Separatieangst.

  • Druk temperament, niet tot rust kunnen komen.

  • Streven naar autonomie.

  • Ouderfactoren (interpersoonlijk):

  • Ouderlijke stress, oververmoeidheid, ziekte, opvoeding.

  • Hogere orde factoren

  • vb. lawaai buiten.

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]