- •1.1: Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie:
- •Individuele ontwikkeling:
- •1.1.2: De invloed van cohorten op ontwikkeling: Ontwikkelen in een sociale wereld:
- •Normatieve historisch bepaalde invloeden:
- •Vb. 9/11; atoombom, rampen, Tsunami, oorlog, Banken crisis, Dutroux.
- •Leeftijdsgebonden invloeden:
- •Normatieve sociaal-cultureel bepaalde invloeden:
- •Niet- normatieve gebeurtenissen:
- •1.2: Kinderen: verleden, heden en toekomst:
- •1.2.1: Vroegere denkbeelden over kinderen:
- •Continue versus discontinue verandering
- •Levensloopmodel versus focus op specifieke perioden
- •Impact nature en nurture op ontwikkeling
- •Continue verandering versus discontinue verandering:
- •Kritieke en gevoelige perioden: de invloed van de omgeving:
- •Levensloopmodel versus focus op specifieke perioden:
- •De relatieve invloed van nature en nurture op de ontwikkeling:
- •Interactionisme:
- •Gevolgen voor de opvoeding van de kinderen en voor sociaal beleid:
- •2.1: Visies op kinderen:
- •2.1.1: Het psychodynamisch perspectief: focus op innerlijke krachten:
- •De psychoanalytische theorie van Freud:
- •Superego of über-ich
- •De orale fase (0 – 1,6 jaar):
- •De anaal-sadistische fase (1,6 – 3 jaar):
- •De fallische fase (3 – 5 à 6 jaar):
- •De genitale fase (11 - ... Jaar):
- •De psychosociale theorie van Erikson: Meningen over het psychodynamisch perspectief:
- •Van vrienden verwacht men een goede invloed hebben.
- •Vroegere psychosociale identiteit
- •Versterkt verzwakt
- •Verschilpunten Freud:
- •2.1.2: Het behavioristisch perspectief: focus op waarneembaar gedrag:
- •Klassieke conditionering:
- •Operante conditionering:
- •De sociaal-cognitieve leertheorie: leren door te imiteren:
- •Wie wordt als model gekozen?
- •2.1.3: Het cognitief perspectief: kijken naar de oorsprong van ons begrip:
- •3 Visies:
- •De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget:
- •De informatieverwerkingstheorie:
- •2.1.5: Het evolutionair perspectief: wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag:
- •2.1.6: Waarom ‘ welk perspectief is het juiste?’ De verkeerde is?:
- •3.1: Erfelijkheid:
- •3.1.1 Genen en chromosomen: De code van het leven:
- •3.1.6: Genetische advisering: De toekomst voorspellen aan de hand van genen:
- •3.2: De interactie tussen erfelijkheid en omgeving:
- •3.2.1: De rol van de omgeving: van genotype naar fenotype:
- •Interactie van factoren:
- •3.2.2: Een antwoord op het nature- nurture- raadsel:
- •3.2.7: Kunnen genen de omgeving beïnvloeden:
- •Actieve genotype- omgevingseffecten:
- •Passieve genotype – omgevingseffecten:
- •Evocatieve genotype- omgevingseffecten:
- •3.3: Prenatale groei en verandering:
- •3.3.2: De stadia van de prenatale periode: Het begin van de ontwikkeling:
- •Vanaf de embryonale fase van de moeder de baby voelen.
- •3.3.3: Problemen rond de conceptie:
- •3.3.4: De prenatale omgeving: Bedreigingen voor de ontwikkeling:
- •4.1: Geboorte:
- •4.1.2: Geboorte: van foetus tot pasgeborene:
- •4.2: Complicaties tijdens de geboorte:
- •4.2.1: Premature baby’s: te vroeg, te klein:
- •4.2.2: Postmature baby’s: te laat , te groot:
- •4.3: Wat een pasgeboren baby allemaal kan:
- •4.3.1: Fysieke vaardigheden: voldoen aan de eisen van een nieuwe omgeving:
- •4.3.3: Het leervermogen van de pasgeborene:
- •4.3.4: Sociale vaardigheden: Reageren op anderen:
- •5.1: Groei en ontwikkeling:
- •5.1.1: Fysieke groei: de snelle schreden van de babytijd:
- •4 Principes van groei: ( meerkeuzevraag: waar hoort dit voorbeeld bij)
- •5.1.2: Het zenuwstelsel en de hersenen: De fundamenten van onze ontwikkeling:
- •5.1.3: Integratie van de lichaamssystemen: de cycli van de babytijd:
- •5.2: De motorische ontwikkeling:
- •5.2.1: Reflexen: onze aangeboren fysieke vaardigheden:
- •5.2.2: Motorische ontwikkeling bij baby’s: fysieke mijlpalen:
- •5.2.4: Voeding in de babytijd: De brandstof voor de motorische ontwikkeling:
- •5.3.2: Auditieve perceptie: de wereld van het geluid:
- •5.3.3: Geur & smaak:
- •5.3.4: Gevoeligheid voor pijn & aanrakingen:
- •5.3.5: Multimodale perceptie: De input van individuele zintuigen gecombineerd:
- •6.1: Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •6.1.1: Belangrijke elementen van Piagets theorie:
- •6.1.2: De sensomotorische periode: De basis van de vroege cognitieve groei:
- •6.1.3: Meningen over Piaget: Steun en kritiek:
- •6.2: De informatieverwerkingstheorie van cognitieve ontwikkeling:
- •6.2.1: Codering, opslag & ophalen: De grondslagen van informatieverwerking:
- •6.2.2: Het geheugen in de babytijd:
- •Vraagje:
- •6.2.3: Individuele verschillen in intelligentie: is de ene baby slimmer dan de anderen?:
- •Individuele intelligentieverschillen: De informatieverwerkingstheorie:
- •6.3: De wortels van onze taal:
- •6.3.1: De basisbeginselen van taal: van geluiden naar symbolen:
- •Vroegere geluiden & communicatie:
- •6.3.2: Het ontstaan van taalontwikkeling:
- •6.3.3: Praten tegen kleine kinderen : Babytaal:
- •7.1: De basis van sociaal gedrag:
- •7.1.1: Emoties in de babytijd: kennen baby’s emotionele pieken en dalen?:
- •Vreemdenangst & scheidingsangst:
- •7.1.2: Social referencing: voelen wat anderen voelen:
- •2 Verklaringen voor social referencing:
- •7.1.3: De ontwikkeling van het ik: Weten baby’s wie ze zijn?:
- •7.1.4: Theory of mind: Hoe baby’s het mentale leven van anderen en van zichzelf zien:
- •7.2: Relaties aangaan:
- •7.2.1: Hechting: het vormen van sociale banden:
- •7.2.2: De totstandkoming van hechting: De rollen van moeder & vader:
- •Vaders & hechting:
- •7.2.3: Interactie met baby’s: ontluikende relaties:
- •7.2.4: De sociale omgang van baby’s met leeftijdgenoten: interactie tussen baby’s:
- •7.3: Verschillen tussen baby’s:
- •7.3.1: Persoonlijkheidsontwikkeling: kenmerken die baby’s uniek maken:
- •7.3.2: Temperament: stabiele factoren in het gedrag van een kind:
- •7.3.3: Gender: Jongens in het blauw, meisjes in het roze:
- •8.1: Fysieke groei:
- •8.1.1: Het groeiende lichaam:
- •Individuele verschillen in lengte & gewicht:
- •Veranderingen in lichaamsvorm – en structuur:
- •8.1.2: De groeiende hersenen:
- •8.1.3: Het verband tussen groei van de hersenen en cognitieve ontwikkeling:
- •8.1.4: De ontwikkeling van de zintuigen:
- •8.2: De motorische ontwikkeling:
- •8.2.1: De grove motoriek:
- •8.2.2: De fijne motoriek:
- •8.2.3: Zindelijk worden: Wanneer en hoe?:
- •8.2.5: De tekening als graadmeter van ontwikkeling:
- •Vanaf 6 jaar:
- •Vanaf 7 jaar:
- •Vlakverdeling
- •Vormstadium - vlakverdelingspatronen
- •Vraag: Bij welk stadium horen deze tekeningen?
- •9.1:De intellectuele ontwikkeling:
- •9.1.1: Piagets stadium van pre operationeel denken:
- •3 Kenmerken:
- •Intuïtief denken (4 à 5 – 7 jaar):
- •4 Onvolkomenheden in het preoperationeel denken: (belangrijke fouten)
- •Voorbeeldvragen
- •Gecentreerd denken
- •Onvolledig begrip van transformaties
- •10.1: Een antwoord op de vraag ‘ wie ben ik’?:
- •10.1.1: De persoonlijkheidsontwikkeling: Conflicten oplossen:
- •10.1.2: Het zelfbeeld in de peuter & kleutertijd:
- •10.1.3: Genderidentiteit: Het ontstaan van mannelijkheid & vrouwelijkheid:
- •Voorbeeldvragen:
- •10.2: Vrienden & familie: Het sociale leven van peuters & kleuters:
- •10.2.1: Het ontstaan van vriendschappen:
- •10.2.2: De regels van het spel:
- •10.2.3: De theory of mind van peuters & kleuters: begrippen wat anderen denken:
- •10.3: Morele ontwikkeling & agressie:
- •10.3.1: Het ontstaan van moreel besef: Goed & fout in de maatschappij:
- •12.1: De intellectuele & taalkundige ontwikkeling:
- •12.1.1: De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •12.1.2: Informatieverwerking in schooltijd:
- •Verbetering van geheugen:
- •12.1.4: Taalontwikkeling: de betekenis van woorden:
- •12.3: Onderwijs: Lezen, schrijven & rekenen ( & meer):
- •12.3.3: Lezen: Het leren ontcijferen van de betekenis van woorden:
- •13.1: De ontwikkeling van het eigen ik:
- •13.1.1: De psychosociale ontwikkeling in de schooltijd: Vlijt versus minderwaardigheid:
- •13.1.2: Een nieuw antwoord op de vraag: wie ben ik?:
- •Verschuiving van fysieke naar psychologische karakterisering van het ik:
- •13.1.3: Eigenwaarde: hoe kinderen een beeld van zichzelf ontwikkelen:
- •13.2: Relaties: Vriendschappen in de schooltijd:
- •13.2.1: Stadia van vriendschap: Een veranderende kijk op vrienden:
- •13.2.3: Gender & vriendschap: Segregatie van de seksen in de schooltijd:
- •13.2.4: Interetnische vriendschappen: integratie binnen & buiten het klaslokaal:
- •13.2.5: Pesten op school & online:
- •14.1: Fysieke rijping:
- •14.1.1: Groei in de adolescentie: Het snelle tempo van de fysieke rijping:
- •14.1.2: Puberteit: het begin van de seksuele rijping:
- •14.1.3: Beeld van het eigen lichaam: Reacties op fysieke veranderingen in de adolescentie:
- •14.1.4: De timing van de puberteit: Gevolgen van vroege & late rijping:
- •Vroege rijping:
- •14.3: Bedreigingen van het welzijn van adolescenten:
- •14.3.2: Drugs:
- •14.3.4: Tabak: De gevaren van roken:
- •14.3.5: Seksueel overdraagbare aandoeningen:
- •Verschillen naar opleidingsniveau:
- •15.1 De intellectuele ontwikkeling:
- •15.1.1: De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •15.1.2: De informatieverwerkingstheorie: geleidelijke veranderingen in vermogens:
- •15.1.3: De adolescent als het middelpunt van het universum:
- •15.2: De morele ontwikkeling:
- •15.2.1: Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling:
- •15.3: Schoolprestaties en cognitieve ontwikkeling:
- •15.3.1: De overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs: (niet kennen)
- •15.3.2: Sociaaleconomisch status en schoolprestaties: individuele prestatieverschillen: (niet kennen)
- •Veiligheid op school en kwaliteit van het onderwijs:
- •15.3.3: Etnische verschillen in schoolprestaties: (niet kennen)
- •15.3.8: Gender & prestaties in het hoger onderwijs:
- •Verschillen tussen werkende en studerende jongeren?
- •15.4: Het kiezen van een beroep: Het werk van je leven:
- •15.4.1: De 3 perioden van Ginzberg:
- •15.4.2: De 6 persoonlijkheidstypen van Holland:
- •15.4.3: Gender & carrièrekeuze: Vrouwenwerk:
- •16.1: Identiteit: Een antwoord op de vraag ‘ Wie ben ik?’:
- •16.1.1: Zelfbeeld/ Eigenwaarde: Beschrijving van het ik:
- •16.1.2: Eigenwaarde: Beoordeling van het ik: ( 16.1.1)
- •16.1.3: Identiteitsvorming in de adolescentie: Verandering of crisis?:
- •16.1.4: Marcia’s theorie van identiteitsontwikkeling:
- •Vraagje: welke identiteitsstatus is hier van toepassing?:
- •16.2: Relaties: Familie en vrienden:
- •16.2.1: Familiebanden: Veranderende relaties binnen het gezin:
- •16.2.2: Ouder-kind conflicten in de adolescentie:
- •16.2.3: Relaties met leeftijdgenoten: Het belang van ‘erbij horen’:
- •Vriendenclubs en subculturen: Bij een groep horen:
- •16.2.5: Conformiteit: Peer pressure in de adolescentie:
- •Inleiding:
- •Agressie:
- •Koppigheid:
- •Slaapproblemen:
- •Hechting:
- •Volwassenheid:
- •Intimiteit.
- •Volgende les: laatste lesbeurt.
- •10.2: Cognitieve ontwikkeling:
- •2 Visies:
- •Contextuele theorie voor intelligentie (Sternberg):
- •10.3: Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling:
10.1: Een antwoord op de vraag ‘ wie ben ik’?:
10.1.1: De persoonlijkheidsontwikkeling: Conflicten oplossen:
Erikson: Autonomie versus schaamte & twijfel-stadium (12/18m - 3j):
Zelfstandigheid: ouders die verkenningsgedrag en vrijheid van kinderen stimuleren.
Schaamte/zelftwijfel: ouders beperkend en overmatig beschermd.
Egosterkte = wilskracht Omgeving heeft belangrijke rol, ouders moeten dit motiveren/ Stimuleren.
Waar je letterlijk ziet dat de kinderen wil exploreren. Zijn nieuwsgierig.
De periode waarin kinderen tussen 18 maanden tot 3 jaar zelfstandigheid en autonomie ontwikkelen als hun ouders hun verkenningsdrang stimuleren, of schaamte ontwikkelen en aan zichzelf gaan twijfelen als ze beperkt en overmatig beschermd worden.
Erikson: Initiatief versus schuld-stadium (3j - 6j):
Ouders ondersteunen en sturen het kind in zijn onafhankelijk gedrag. Ike doen. Kind wilt jas zelf aandoen zonder hulp van de mama.
Kinderen die beperkt worden in hun ontwikkeling tot zelfstandigheid: schuldgevoel bij kind, negatief zelfbeeld.
Egosterkte = doelgerichtheid.
De periode van het 3de tot het 6de jaar waarin kinderen te maken krijgen met conflicten tussen het verlangen om onafhankelijk van hun ouders te opereren en het schuldgevoel dat voortvloeit uit de onbedoelde consequenties van hun acties.
10.1.2: Het zelfbeeld in de peuter & kleutertijd:
Zelfbeeld: Iemands identiteit of de opvattingen die hij van zichzelf als persoon heeft.
Als je peuters en kleuters vraagt wat hen onderscheidt van andere kinderen, hebben ze vaak meteen een antwoord klaar in de trant van : ‘ik kan heel hard lopen’ of ‘ ik hou van tekenen’ , zulke antwoorden hebben te maken met hun zelfbeeld.
In het beeld dat peuters en kleuters van zichzelf beginnen te ontwikkelen, komt ook de cultuur waarin een kind opgroeit van uiting. Kinderen in Westerse culturen zullen onafhankelijk beeld van hun ‘ik’ ontwikkelen omdat hun maatschappij individualistisch georiënteerd is. Zij zullen dus meer nadruk leggen op de aspecten die hen van anderen onderscheiden ( op wat hen uniek maakt) Zulke opvattingen kunnen soms op subtiele manieren in een cultuur tot uiting komen.
Peuters en kleuters die volgens dit gezegde worde opgevoed leren in zien dat ze moeten proberen de aandacht van anderen te trekken door zich te onderscheiden en hun behoeften kenbaar te maken. Kinderen in Aziatische culturen , die collectivistisch georiënteerd zijn. Hen wordt bijgebracht dat een kind juist niet op moet vallen, dienstbaar moet zijn aan de familie en goed zijn best moet doen. ( gezegde: Brutalen hebben de halve wereld).
Individualistische oriëntatie: Filosofie waarbinnen de nadruk ligt op persoonlijke identiteit en op de uniekheid van het individu.
Collectivistische oriëntatie: Filosofie waarbinnen de nadruk ligt op onderlinge afhankelijkheid.
10.1.3: Genderidentiteit: Het ontstaan van mannelijkheid & vrouwelijkheid:
Vanaf geboorte: jongens en meisjes worden verschillend behandeld (cf. slides 13 – 14)
Peuter- en kleuterfase: het gevoel mannelijk of vrouwelijk te zijn is duidelijk aanwezig
2-jarigen: een kind geeft zichzelf en anderen consequent het label ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’
Hangt samen met reacties omgeving
Gender manifesteert zich tijdens het spelen:
Jongens: Ouders zijn wilder en aanmoedigde hun zoon harder. meer wildere?
Meisjes: Waren ze zachter en liever. Meer georganiseerde spelletjes en rollenspel.
Jongens spelen meer en meer met jongens, meisjes met meisjes (ook in rest van schooltijd)
Deze voorkeur bij meisjes vanaf 2 jaar, bij jongens vanaf 3 jaar
Voorkeur voor de eigen sekse: in elke cultuur
Gender weegt zwaarder dan etnische factoren
vb. Zwarte/blanke jongens en meisjes
Ontwikkeling van verwachtingen over toepasselijk gedrag voor jongens en meisjes
Meer stereotiepe en minder flexibele verwachtingen bij peuters/kleuters in vergelijking met volwassenen
Tot 5 jaar: genderverwachtingen steeds meer uitgesproken
Vanaf 7 jaar: afname in sterkte, nooit volledig verdwijnen
Zelfde soort stereotiepe verwachtingen bij peuters en kleuters als bij volwassenen
Mannen: Politie agent/ stoerdere jobs Mannen beroep. Competitief, krachtig, onafhankelijk.
Vrouwen: Verpleegsters / zorgende beroepen Vrouwen beroep. Warm, expressief, zorgzaam.
Genderopvattingen en –verwachtingen hebben invloed op het eigen gedrag en op de manier waarop kinderen met leeftijdsgenoten en volwassenen omgaan
Verschillende verklaringen:
Biologische theorieën
Psychoanalytische theorieën
De sociale leertheorie
De cognitieve theorie
Biologische theorieën over gender:
Biologische kenmerken gerelateerd aan sekse leiden rechtstreeks tot genderverschillen:
Prenatale blootstelling aan hoge doses androgenen bij meisjes: meer stereotiep mannelijk gedrag.
Biologische verschillen in de structuur van mannelijke en vrouwelijke hersenen MAAR ook invloed van omgevingservaringen
Mannelijke voorouders met stereotiep mannelijk gedrag en vrouwelijke voorouders met stereotiep vrouwelijk gedrag zorgden voor de overleving van de soort.
!! Moeilijk om gedragskenmerken voor 100% toe te schrijven aan biologische factoren.
Psychoanalytische theorieën:
De mens volgens de psychoanalytische theorie van Freud verschillende stadia doorloopt die gerelateerd zijn aan biologische driften.
Volgens Freud valt een deel van peuter- en kleutertijd samen met de fallische fase , waarbij een kind vooral plezier ontleent aan zijn genitale seksualiteit.
Freud meende dat het einde van de fallische fase wordt gekenmerkt door een belangrijk keerpunt in de ontwikkeling: Het oedipuscomplex.
Volgens Freud treedt het oedipuscomplex rond de leeftijd van 5 jaar op, wanneer anatomische verschillen tussen mannen en vrouwen in het oog gaan springen. Jongens beginnen onbewust ‘seksuele’ belangstelling te tonen voor hun moeder en zien hun vader als rivaal. Omdat ze hun vader echter als almachtig beschouwen, ontwikkelen jongens een angst voor vergelding, die zich manifesteert als castratieangst.
Om deze angst te overwinnen , onderdrukken jongens hun verlangen naar hun moeder en beginnen zij zich in plaats daarvan te identificeren met hun vader in een poging zo veel mogelijk op hem te lijken.
Identificatie: Is het proces waarbij kinderen proberen gelijk te zijn aan de ouder van dezelfde sekse en waarbij ze de attitudes en waarden van deze ouder overnemen.
Meisjes doorlopen volgens Freud een soortgelijk proces, het zogenaamde elektracomplex. Ze beginnen zich onbewust ‘seksueel’ aangetrokken te voelen tot hun vader. Om de liefde van hun vader te winnen, identificeren meisjes zich uiteindelijk met hen moeder en proberen zij zo veel mogelijk op hen te lijken.
Identificatie met de ouder van dezelfde sekse leidt er zowel bij jongens als bij meisjes uiteindelijk toe dat de kinderen de genderattitudes en –waarden van hun ouders overnemen.
Freud: peuter- en kleutertijd = fallische fase
Rond 4 à 5 jaar: oedipuscomplex (cf. eerdere lesbeurt)
Dankzij identificatie met ouder van zelfde sekse: overname van genderattitudes en –waarden van ouders verwachtingen van ‘normaal’ gedrag voor mannen en vrouwen worden doorgegeven.
Identificatie = proces waarbij kinderen proberen gelijk te zijn aan de ouder van dezelfde sekse en waarbij de attitudes en waarden van deze ouder overgenomen worden.
Kritiek:
Weinig wetenschappelijk onderbouwd
Genderstereotypen worden geleerd voor 5 jaar
Leren van genderstereotypen ook in éénoudergezinnen
Overname van specifiek genderstereotiep gedrag is te verklaren door eenvoudigere processen
De sociale leertheorie:
Gendergerelateerd(e) gedrag en verwachtingen worden geleerd door:
Observatie van anderen
Imitatie van gendergerelateerd gedrag dat beloond wordt
Confrontatie met boeken, televisie en videospelletjes
Bekrachtiging op een directe manier: ‘lief meisje’ en ‘grote jongen’
-Confrontatie met tv : mannen en vrouwen worden anders afgebeeld :
Vb. in sprookjes wordt het meisje gered door de man.
-Ligt aan de basis voor gender stereotype verwachtingen.
De cognitieve leertheorie:
Genderidentiteit: De perceptie van het zelf als mannelijk of vrouwelijk.
Genderschema: Een cognitief raamwerk waarbinnen genderrelevante informatie wordt geordend. Wat typisch mannelijk / vrouwelijk is : ligt aan de basis van genderidentiteit.
Genderconstantie: Het feit dat mensen permanent mannelijk of vrouwelijk zijn als gevolg van vaste, onveranderlijke biologische factoren.
De vorming van een genderidentiteit is mogelijk dankzij de ontwikkeling van een genderschema
Genderidentiteit = perceptie van het zelf als mannelijk of vrouwelijk
Genderschema = cognitief raamwerk waarbinnen genderrelevantie informatie geordend wordt
Genderschema is een filter waardoor naar de wereld gekeken wordt
Jonge kinderen:
Rigiditeit in de genderschema’s.
Rigiditeit : zeer sterke ideeën voor wat typisch mannelijk/vrouwelijk is : Genderschema’s zijn heel strikt omdat het gebaseerd is op uiterlijke verschijning ( het verschil tussen jongens en meisjes is niet afhankelijk van de sekse verschillen maar van de uiterlijke verschijningsvorm) Voorbeeld : een meisje wilt wanneer het heel koud is enkel een rokje aandoen want een broek is voor jongens , voorbeeld 2 : een jongen wilt zich voor een schooltoneel niet laten schminken want schmink is voor meisjes en niet voor jongens.
Sekseverschillen gebaseerd op verschijning of gedrag en niet op biologische factoren
Vanaf 4 à 5 jaar: genderconstantie
genderconstantie = het besef dat mensen permanent mannelijk of vrouwelijk zijn als gevolg van vaste, onveranderlijke biologische factoren. Genderconstantie : Begrip van identiteit, begrip van constantie : daar heeft genderconstantie met te maken
Kritiek:
Genderschema’s ontwikkelen zich lang vooraleer er sprake is van begrip van genderconstantie.
Kinderen kunnen gestimuleerd worden tot het ontwikkelen van androgyne genderschema’s.
Androgyne opvoeding : jongens mogen met de poppen spelen , meisjes mogen voetballen.
