Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

10.1: Een antwoord op de vraag ‘ wie ben ik’?:

10.1.1: De persoonlijkheidsontwikkeling: Conflicten oplossen:

    • Erikson: Autonomie versus schaamte & twijfel-stadium (12/18m - 3j):

      • Zelfstandigheid: ouders die verkenningsgedrag en vrijheid van kinderen stimuleren.

      • Schaamte/zelftwijfel: ouders beperkend en overmatig beschermd.

      • Egosterkte = wilskracht  Omgeving heeft belangrijke rol, ouders moeten dit motiveren/ Stimuleren.

      • Waar je letterlijk ziet dat de kinderen wil exploreren.  Zijn nieuwsgierig.

      • De periode waarin kinderen tussen 18 maanden tot 3 jaar zelfstandigheid en autonomie ontwikkelen als hun ouders hun verkenningsdrang stimuleren, of schaamte ontwikkelen en aan zichzelf gaan twijfelen als ze beperkt en overmatig beschermd worden.

    • Erikson: Initiatief versus schuld-stadium (3j - 6j):

      • Ouders ondersteunen en sturen het kind in zijn onafhankelijk gedrag.  Ike doen. Kind wilt jas zelf aandoen zonder hulp van de mama.

      • Kinderen die beperkt worden in hun ontwikkeling tot zelfstandigheid: schuldgevoel bij kind, negatief zelfbeeld.

      • Egosterkte = doelgerichtheid.

      • De periode van het 3de tot het 6de jaar waarin kinderen te maken krijgen met conflicten tussen het verlangen om onafhankelijk van hun ouders te opereren en het schuldgevoel dat voortvloeit uit de onbedoelde consequenties van hun acties.

10.1.2: Het zelfbeeld in de peuter & kleutertijd:

  • Zelfbeeld: Iemands identiteit of de opvattingen die hij van zichzelf als persoon heeft.

  • Als je peuters en kleuters vraagt wat hen onderscheidt van andere kinderen, hebben ze vaak meteen een antwoord klaar in de trant van : ‘ik kan heel hard lopen’ of ‘ ik hou van tekenen’ , zulke antwoorden hebben te maken met hun zelfbeeld.

  • In het beeld dat peuters en kleuters van zichzelf beginnen te ontwikkelen, komt ook de cultuur waarin een kind opgroeit van uiting. Kinderen in Westerse culturen zullen onafhankelijk beeld van hun ‘ik’ ontwikkelen omdat hun maatschappij individualistisch georiënteerd is.  Zij zullen dus meer nadruk leggen op de aspecten die hen van anderen onderscheiden ( op wat hen uniek maakt) Zulke opvattingen kunnen soms op subtiele manieren in een cultuur tot uiting komen.

  • Peuters en kleuters die volgens dit gezegde worde opgevoed leren in zien dat ze moeten proberen de aandacht van anderen te trekken door zich te onderscheiden en hun behoeften kenbaar te maken. Kinderen in Aziatische culturen , die collectivistisch georiënteerd zijn. Hen wordt bijgebracht dat een kind juist niet op moet vallen, dienstbaar moet zijn aan de familie en goed zijn best moet doen. ( gezegde: Brutalen hebben de halve wereld).

  • Individualistische oriëntatie: Filosofie waarbinnen de nadruk ligt op persoonlijke identiteit en op de uniekheid van het individu.

  • Collectivistische oriëntatie: Filosofie waarbinnen de nadruk ligt op onderlinge afhankelijkheid.

10.1.3: Genderidentiteit: Het ontstaan van mannelijkheid & vrouwelijkheid:

  • Vanaf geboorte: jongens en meisjes worden verschillend behandeld (cf. slides 13 – 14)

  • Peuter- en kleuterfase: het gevoel mannelijk of vrouwelijk te zijn is duidelijk aanwezig

    • 2-jarigen: een kind geeft zichzelf en anderen consequent het label ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’

    • Hangt samen met reacties omgeving

  • Gender manifesteert zich tijdens het spelen:

    • Jongens:  Ouders zijn wilder en aanmoedigde hun zoon harder.  meer wildere?

    • Meisjes:  Waren ze zachter en liever.  Meer georganiseerde spelletjes en rollenspel.

    • Jongens spelen meer en meer met jongens, meisjes met meisjes (ook in rest van schooltijd)

    • Deze voorkeur bij meisjes vanaf 2 jaar, bij jongens vanaf 3 jaar

  • Voorkeur voor de eigen sekse: in elke cultuur

    • Gender weegt zwaarder dan etnische factoren

vb. Zwarte/blanke jongens en meisjes

  • Ontwikkeling van verwachtingen over toepasselijk gedrag voor jongens en meisjes

    • Meer stereotiepe en minder flexibele verwachtingen bij peuters/kleuters in vergelijking met volwassenen

    • Tot 5 jaar: genderverwachtingen steeds meer uitgesproken

    • Vanaf 7 jaar: afname in sterkte, nooit volledig verdwijnen

 Zelfde soort stereotiepe verwachtingen bij peuters en kleuters als bij volwassenen

    • Mannen: Politie agent/ stoerdere jobs  Mannen beroep.  Competitief, krachtig, onafhankelijk.

    • Vrouwen: Verpleegsters / zorgende beroepen  Vrouwen beroep.  Warm, expressief, zorgzaam.

  • Genderopvattingen en –verwachtingen hebben invloed op het eigen gedrag en op de manier waarop kinderen met leeftijdsgenoten en volwassenen omgaan

  • Verschillende verklaringen:

    • Biologische theorieën

    • Psychoanalytische theorieën

    • De sociale leertheorie

    • De cognitieve theorie

  • Biologische theorieën over gender:

    • Biologische kenmerken gerelateerd aan sekse leiden rechtstreeks tot genderverschillen:

      • Prenatale blootstelling aan hoge doses androgenen bij meisjes: meer stereotiep mannelijk gedrag.

      • Biologische verschillen in de structuur van mannelijke en vrouwelijke hersenen MAAR ook invloed van omgevingservaringen

      • Mannelijke voorouders met stereotiep mannelijk gedrag en vrouwelijke voorouders met stereotiep vrouwelijk gedrag zorgden voor de overleving van de soort.

    • !! Moeilijk om gedragskenmerken voor 100% toe te schrijven aan biologische factoren.

  • Psychoanalytische theorieën:

    • De mens volgens de psychoanalytische theorie van Freud verschillende stadia doorloopt die gerelateerd zijn aan biologische driften.

    • Volgens Freud valt een deel van peuter- en kleutertijd samen met de fallische fase , waarbij een kind vooral plezier ontleent aan zijn genitale seksualiteit.

    • Freud meende dat het einde van de fallische fase wordt gekenmerkt door een belangrijk keerpunt in de ontwikkeling: Het oedipuscomplex.

    • Volgens Freud treedt het oedipuscomplex rond de leeftijd van 5 jaar op, wanneer anatomische verschillen tussen mannen en vrouwen in het oog gaan springen. Jongens beginnen onbewust ‘seksuele’ belangstelling te tonen voor hun moeder en zien hun vader als rivaal. Omdat ze hun vader echter als almachtig beschouwen, ontwikkelen jongens een angst voor vergelding, die zich manifesteert als castratieangst.

    • Om deze angst te overwinnen , onderdrukken jongens hun verlangen naar hun moeder en beginnen zij zich in plaats daarvan te identificeren met hun vader in een poging zo veel mogelijk op hem te lijken.

    • Identificatie: Is het proces waarbij kinderen proberen gelijk te zijn aan de ouder van dezelfde sekse en waarbij ze de attitudes en waarden van deze ouder overnemen.

    • Meisjes doorlopen volgens Freud een soortgelijk proces, het zogenaamde elektracomplex. Ze beginnen zich onbewust ‘seksueel’ aangetrokken te voelen tot hun vader. Om de liefde van hun vader te winnen, identificeren meisjes zich uiteindelijk met hen moeder en proberen zij zo veel mogelijk op hen te lijken.

    • Identificatie met de ouder van dezelfde sekse leidt er zowel bij jongens als bij meisjes uiteindelijk toe dat de kinderen de genderattitudes en –waarden van hun ouders overnemen.

    • Freud: peuter- en kleutertijd = fallische fase

    • Rond 4 à 5 jaar: oedipuscomplex (cf. eerdere lesbeurt)

    • Dankzij identificatie met ouder van zelfde sekse: overname van genderattitudes en –waarden van ouders  verwachtingen van ‘normaal’ gedrag voor mannen en vrouwen worden doorgegeven.

Identificatie = proces waarbij kinderen proberen gelijk te zijn aan de ouder van dezelfde sekse en waarbij de attitudes en waarden van deze ouder overgenomen worden.

    • Kritiek:

      • Weinig wetenschappelijk onderbouwd

      • Genderstereotypen worden geleerd voor 5 jaar

      • Leren van genderstereotypen ook in éénoudergezinnen

      • Overname van specifiek genderstereotiep gedrag is te verklaren door eenvoudigere processen

  • De sociale leertheorie:

    • Gendergerelateerd(e) gedrag en verwachtingen worden geleerd door:

      • Observatie van anderen

      • Imitatie van gendergerelateerd gedrag dat beloond wordt

      • Confrontatie met boeken, televisie en videospelletjes

      • Bekrachtiging op een directe manier: ‘lief meisje’ en ‘grote jongen’

-Confrontatie met tv : mannen en vrouwen worden anders afgebeeld :

Vb. in sprookjes wordt het meisje gered door de man.

-Ligt aan de basis voor gender stereotype verwachtingen.

  • De cognitieve leertheorie:

    • Genderidentiteit: De perceptie van het zelf als mannelijk of vrouwelijk.

    • Genderschema: Een cognitief raamwerk waarbinnen genderrelevante informatie wordt geordend. Wat typisch mannelijk / vrouwelijk is : ligt aan de basis van genderidentiteit.

    • Genderconstantie: Het feit dat mensen permanent mannelijk of vrouwelijk zijn als gevolg van vaste, onveranderlijke biologische factoren.

    • De vorming van een genderidentiteit is mogelijk dankzij de ontwikkeling van een genderschema

 Genderidentiteit = perceptie van het zelf als mannelijk of vrouwelijk

 Genderschema = cognitief raamwerk waarbinnen genderrelevantie informatie geordend wordt

    • Genderschema is een filter waardoor naar de wereld gekeken wordt

    • Jonge kinderen:

      • Rigiditeit in de genderschema’s.

  • Rigiditeit : zeer sterke ideeën voor wat typisch mannelijk/vrouwelijk is : Genderschema’s zijn heel strikt omdat het gebaseerd is op uiterlijke verschijning ( het verschil tussen jongens en meisjes is niet afhankelijk van de sekse verschillen maar van de uiterlijke verschijningsvorm) Voorbeeld : een meisje wilt wanneer het heel koud is enkel een rokje aandoen want een broek is voor jongens , voorbeeld 2 : een jongen wilt zich voor een schooltoneel niet laten schminken want schmink is voor meisjes en niet voor jongens.

      • Sekseverschillen gebaseerd op verschijning of gedrag en niet op biologische factoren

    • Vanaf 4 à 5 jaar: genderconstantie

genderconstantie = het besef dat mensen permanent mannelijk of vrouwelijk zijn als gevolg van vaste, onveranderlijke biologische factoren. Genderconstantie : Begrip van identiteit, begrip van constantie : daar heeft genderconstantie met te maken

    • Kritiek:

      • Genderschema’s ontwikkelen zich lang vooraleer er sprake is van begrip van genderconstantie.

      • Kinderen kunnen gestimuleerd worden tot het ontwikkelen van androgyne genderschema’s.

      • Androgyne opvoeding : jongens mogen met de poppen spelen , meisjes mogen voetballen.

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]