Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

Voorbeeldvragen

  • Twee treintjes vertrekken op hetzelfde moment en volgen met dezelfde snelheid gedurende 30 sec. een traject. De ene trein rijdt over een rechte weg, de andere over een zigzag weg. Aan Wout (4 j.) wordt gevraagd welke trein het snelst is. Wout toont de trein aan die over de rechte weg reed want die is het verst geraakt stelt hij. Dit is een voorbeeld van

    1. Gedecentreerd denken

    2. Statisch-gericht denken

    3. Gecentreerd denken

    4. Begrip van functionaliteit

  • Mama en Marthe leggen de ingrediënten klaar voor het bereiden van chocolademousse. Marthe mag de stukken chocolade breken. Later proeven ze samen van de chocomousse. Marthe vraagt: “Waar zijn de stukjes chocolade naartoe?” .Dit is een voorbeeld van

  1. Begrip van identiteit

  2. Onvolledig begrip van transformaties

  3. Begrip van functionaliteit

  4. Geen van bovenstaande

  • Egocentrisme: het onvermogen om zich te verplaatsen in anderen:

    1. Egocentrisme:

  • Egocentrisme = het kind kan zich niet verplaatsen in het standpunt van anderen.  Is niet hetzelfde als Egoïsme.  Komt terug in elk stadium.  Het onvermogen om zich te verplaatsen in anderen.

  • Twee vormen:

    • Perceptueel egocentrisme: gebrek aan besef dat anderen dingen vanuit een ander perspectief zien (cf. drie-bergen experiment  Wat zie het poppetje dat aan de andere kant van de berg zit  Laten de tekening zien dat zij zien.)  In de peutertijd.

    • Conceptueel egocentrisme: gebrek aan besef dat anderen gedachten, gevoelens en standpunten hebben die verschillend zijn van die van hen.  Denken dat anderen dezelfde gedachten, gevoelens hebben. Vb. Verjaardagsfeestje, mogen een lijst maken welke kindjes er mogen komen. Papa verjaard , kind brengt eigen lijstje mee met eigen kindjes want papa wilt deze kindjes ook op zijn verjaardag.

  • Uitingen van egocentrisme in dit stadium:

    • Magisch denken  Vb. geluksonderbroek dragen bij het examen anders ga je niet slagen.  Eigen gedrag is de veroorzaken van bepaalde gebeurtenissen.

    • Animisme  Vb. Kwaad zijn op je knuffel en ze door de kamer gooien, 5 min later terug gaan en alle knuffels terug op zijn plaats zetten. En sorry zeggen.  Voorwerpen leven. Menselijke eigenschappen toeschrijven aan levenloze voorwerpen.

  • OEFENFRAGMENT DAAN:

    • Waarom?:

      • Feedback op taak zelf mogelijk voor iedereen tijdens inkijkmoment na examens

      • Dit voorbeeld met modelfeedback ter illustratie/voorbereiding taak

    • Daan, 4 jaar

    • Opdracht (cf. taak):

      • WAT observeer je?

      • HOE interpreteer je dit vanuit de cursus?

    • Jullie maken de oefening in groepjes van 2 a 3 studenten.

Proef van Piaget Daan is een 4 jarig jongetje en gaat aan de had van het gecentreerd denken een experiment doen.  Hij glimlacht eerst naar de camera/mama.  Is een deel van conservatiefout.

Er staan voor hem 2 glazen met water, in de beide glazen zit er evenveel water. De mama vraagt in welk glas er het meeste water in zit of zit er in de beide glazen evenveel water.  Daan antwoord dat er in beide glazen evenveel water zit.

 Daarna giet de mama een glas water over in een ander glas. ( dat smaller is dan de andere).  Daarna vraagt de mama aan Daan in welk glas er het meeste water zit. Daan zegt dat in het smalle glaasje het meeste drank zit.  De mama vraagt waarom? Daan antwoord omdat hij het kan voelen.

 Zijn antwoord slaagt nergens op omdat hij dit niet kan interpreteren en kan redeneren.

Antwoord:  Komt op Toledo.

 Eerst Korte beschrijving geven van wat er gebeurt is.

 Interpretatie is zeer belangrijk.  Zeer uitgebreid.

  • Meningen over Piagets benadering van cognitieve ontwikkeling:

Hij schets een gedetailleerd beeld van de cognitieve vaardigheden van peuters en kleuters. Zijn levendige omschrijvingen van de manier waarop kinderen de wereld zien, zijn bijna ongeëvenaard. De grote lijnen van zijn theorie vormen een nuttig kader voor de ontwikkeling van de cognitieve vaardigheden tijdens de peuter -en kleuterjaren.

9.2: De taalontwikkeling:

9.2.1: Linguïstische vooruitgang in de peuter- en kleutertijd:

  • Syntaxis: Het combineren van woorden en frasen tot zinnen.

  • Fast mapping: Het proces waarbij nieuwe woorden al na een korte kennismaking aan hun betekenis worden gekoppeld.

  • Grammatica: Het systeem van regels dat bepaalt hoe gedachten kunnen worden uitgedrukt.

9.2.2: Egocentrisch taalgebruik:

  • Egocentrisch taalgebruik: Gesproken taal die niet bedoelt is voor anderen.

  • Pragmatiek: Het aspect van taal dat betrekking heeft op effectief en toepasselijk communiceren met anderen.

  • Sociaal taalgebruik: Taalgebruik dat gericht is tegen een ander en bedoeld om door die ander te worden begrepen.

9.2.3: Armoede en taalontwikkeling:

  • De taal die peuters en kleuters thuis horen heeft grote gevolgen voor hun toekomstige cognitieve succes.

  • Dat blijkt uit baanbrekend onderzoek van psychologen B. Hart & T. Risley. Zij deden onderzoek naar de taal waarmee een groep ouders met verschillende sociaaleconomische achtergronden met hun kinderen communiceerde.

  • Hun bestudering aan dagelijkse interacties tussen ouders & kinderen leverden een aantal belangrijke conclusies op:

  • Hoeveel er tegen kinderen gesproken werd, hing in hoge mate af van het economische niveau van het gezin.

  • Per uur communiceerden hoger opgeleide werkende ouders gemiddeld 2 keer zo veel met hun kinderen als ouders die een uitkering kregen.

  • Kinderen uit gezinnen met hoger opgeleide werkende ouders zijn op 4-jarige leeftijd gemiddeld aan 13 miljoen meer woorden blootgesteld dan kinderen met ouders met een uitkering.

  • Het soort taal dat in huis gebruikt verschilde per type gezin. Kinderen uit gezinnen waarvan de ouders een uitkering ontvingen, kregen 2 keer zoveel verboden worden te horen ( zoals, nee of stop) als kinderen uit gezinnen met hoger opgeleide werkende ouders.

  • Uiteindelijk bleek uit het onderzoek dat het type taal waaraan kinderen werden blootgesteld ook gerelateerd was aan hun scores bij intelligentietests. Hoe meer woorden kinderen hoorden en hoe meer variatie er in die woorden zat, des te beter presteerden ze op 3-jarige leeftijd vb. bij verschillende metingen van hun intellectuele vermogens.

  • Hoewel er verbanden aan te wijzen zijn, kan er geen oorzaak-gevolgrelatie uit worden afgeleid. Wel spreekt er duidelijk uit hoe belangrijk het voor kinderen is om al vroeg te worden blootgesteld aan veel en gevarieerde taal.

  • Bovendien kan uit deze bevindingen worden opgemaakt dat interventieprogramma’s die ouders leren vaak tegen hun kinderen te praten een gevarieerde taalgebruik te bezigen wellicht een deel van de potentieel negatieve gevolgen van armoede kunnen ondervangen.

  • Het onderzoek sluit ook aan op toenemende bewijzen dat gezinsinkomen en armoede ingrijpende gevolgen hebben voor de algemene cognitieve ontwikkeling en het gedrag van kinderen.

  • Op hun 5de jaar hebben kinderen die in armoede opgroeien meestal een lagere IQ-scores en scoren ze minder goed op andere cognitieve ontwikkelingscriteria dan kinderen uit rijke gezinnen.

  • Hoe langer de kinderen in armoede leven, des te ernstiger de consequenties zijn. Armoede verkleint niet alleen de opleidingsmogelijkheden voor kinderen, maar heeft ook een negatief effect op ouders in de zin dat de psychische steun beperkt die zij aan hun gezin kunnen geven.  Met andere woorden de consequenties van armoede zijn ingrijpend en langdurig.

Hoofdstuk 10: De sociale ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de peuter & kleutertijd:

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]