Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать
  • Intuïtief denken (4 à 5 – 7 jaar):

  • Intuïtief denken: denken waarin tot uiting komt dat peuters en kleuters primitief redeneren en gretig kennis over de wereld verwerven  1ste vorm van redeneren, die niet logisch is.

    • Overgang naar concepten en vorming van associaties.

    • Op intuïtieve wijze nl. niet eerst nadenken maar spontaan oordelen

    • Geen argumenten voor een antwoord  heeft te maken met het conceptueel egocentrisme.

    • Intuïtief denken is een voorbereiding op meer geavanceerde vormen van redeneren.

    • Op het einde van het preoperationeel stadium:

      • Begrip van functionaliteit = acties, gebeurtenissen en resultaten zijn volgens vaste patronen aan elkaar gerelateerd  Op een bepaalde logische volgorde volgen. Vb. Harder trappen wilt zeggen dat ik sneller vooruit ga met de fiets.

      • Begrip van identiteit = het besef dat bepaalde dingen altijd hetzelfde blijven, ongeacht veranderingen in vorm, omvang en uiterlijk  Bepaalde zaken niet veranderen als het uiterlijk verandert. Vb. Papa heeft een lange pruik,  Maar papa verandert niet in een meisje.

  • 4 Onvolkomenheden in het preoperationeel denken: (belangrijke fouten)

    • Centratie: wat je ziet, is wat je denkt:

    1. Gecentreerd denken (cf. conservatieproeven):

Centratie = het onvermogen om zich op meer dan één aspect van een stimulus te concentreren  Zich richten op 1 aspect.  Ze gaan niet alle informatie gebruiken die ze binnen krijgen, waar ze zich gaan op focussen is het meest opvallende.  Hierdoor maken ze vaak fouten.

  • Nadruk op oppervlakkige, opvallende elementen

  • Oorzaak: het visuele beeld, de uiterlijke verschijning domineert het denken

  • Conservatie: leren dat uiterlijke schijn bedriegt:

  • De nadruk op uiterlijke vormen houdt verband met het gebrek aan conservatie

  • Conservatie = het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd ( niet veranderd) is aan de uiterlijke verschijningsvorm van objecten (Piaget).

  • Preoperationeel denken: het kind begrijpt niet dat een verandering in één dimensie (verschijningsvorm) niet noodzakelijk leidt tot een verandering in de andere dimensie (kwantiteit)

  • Noodzakelijk voor conservatie:

    • Begrip van identiteit  Komt pas op het einde van preoperationeel stadium.

    • Gedecentreerd kunnen denken.  Ze richten zich enkel op 1 aspect , op het meeste opvallende aspect.

    • Begrip van (volgorde van) transformaties.  2 rijen met 5 centjes, 1 rij wordt wat verder uitelkaar gelegd , de ene rij heeft meer centjes omdat ze langer is  Houdt geen rekening met het aantal.

  • Het gebrek aan conservatie uit zich op verschillende manieren:

  • Onvolledig begrip van transformatie:

    1. Onvolledig begrip van transformatie:

Transformatie = het proces waarbij de ene toestand verandert in de andere toestand.

  • Statisch-gericht denken: geen aandacht voor het proces, enkel aandacht voor toestanden.  Denkt enkel aan toestanden. Vb. een vallend potlood tekenen  Tekenen een liggend potlood.

    1. Irreversibiliteit van het denken:

Irreversibel denken = het kind is niet in staat om denkacties in omgekeerde zin uit te voeren.  Niet instaat zijn om hun denken om te draaien.  Vb. Pieter heeft een broertje , hoe noemt de broer? Jan, vragen of Jan een broer heeft  Pieter antwoord Nee

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]