Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать
  • Vanaf 6 jaar:

    • Tekenfilms en voorleesverhaaltjes zijn verzonnen

    • In twijfel trekken van verzinsels

    • Vb. Sinterklaas kan niet overal tegelijk zijn: besef van transformatie. ( eind pre-operationele fase).

  • Het begrijpen van een grapje: doet iemand iets met opzet of per ongeluk verkeerd?

    • Vanaf 2 jaar: kinderen begrijpen een grapje, beseffen dat iemand iets bewust fout doet of als een grapje.

Bv. Experiment grapjes: grap of vergissing

1.6: Onderscheid fantasie- werkelijkheid:

  • 3 à 4 jaar: groeiend besef dat fantasie en realiteit twee verschillende dingen zijn:

    • Geleidelijke overgangsperiode

      • Experiment verhaal over toverdoos bij 5-6-jarigen  Ook al geloofde ze dit niet ( dat het geen toverdoos is, dat als je er een tekening in stopt , dat het voorwerp van op de tekening uit de doos komt), toch gingen ze er mee aan de slag als er niemand keek.  Overgangsfase.

      • Fantasie boerderij

  • Volwassenen mogen niet té ver mee spelen in de fantasie

Bv. Papa is doodgeschoten  Papa gaat goed acteren en echt dood speelt, als papa het blijft spelen gaat het kind angstig worden en gaan echt denken dat ze papa echt dood hebben geschoten.

  • Verwarring als volwassenen hardnekkig aan fantasie blijven vasthouden (zorgt voor verwaring).

vb. Sinterklaas rijdt op het dak.

  • Vanaf 7 jaar:

    • Kind maakt onderscheid tussen realiteit en fantasie.

    • Concentratie op de realiteit.

    • Fantasie op de achtergrond. Vb. Harry potter  Fantasie maar kan ook werkelijkheid inzitten.

    • Fantasie blijft wel (verminderd) aanwezig op elke leeftijd.

( hopen dat iets gaat gebeuren).

  1. Kinderspel:

2.1: Kenmerken van spel:

  • Activiteit.  Kind dat passief aan het luisteren naar een verhaal is geen spel  Moet actief bezig zijn.

  • Leuk.

  • Vrijwillig.  Moet spontaan zijn, je kan hen er niet toe verplichten.

  • Combinatie van de 3 kenmerken om van spel te kunnen spreken.

2.2: Functies van het spel voor de ontwikkeling van het kind:

  • Piaget: spelen bevordert de cognitieve ontwikkeling

    • Assimilatie en accommodatie ( wisselwerking).

    • > assimilatie ( vaak  Werkelijkheid aanpassen aan zichzelf).

    • Accommodatie ( minder)

    • Oefenen oorzaak-gevolg relaties. ( als ik dit doe, wat gebeurt er dan?)

    • Spel dient voor het gebruik van alle functies: lichaamshouding en beweging, zintuigen, taal en denken en sociale omgang. ( buurt afwachten)

    • Oefenen van functies.

    • Herhalen wat je beleeft.

  • Via spel ontladen van energie en verwerken emoties.

  • Spel als sociale oefening:

    • Rollenspel: hoogste niveau van spel ( moeten ze veel fantaseren, doen alsof ze iemand zijn, iemand moeten na spelen  Leren hoe volwassenen zich gaan gedragen).

      • Kind verplaatst zich in een volwassene  socialisatie

  • Cultuursimulatie.:

    • De neiging tot spel is aangeboren, wat gespeeld wordt is afhankelijk van de cultuur. ( regels van de cultuur overnemen in het spel, hoe het gebeurt in de cultuur)

    • Al spelend de gedragingen en emoties oefenen en een levensinstelling verwerven die past binnen de cultuur

    • Simulatie: tijdens spel zijn er nog geen consequenties voor gedrag dat gesteld wordt. ( omgaan met elkaar via regels, er zijn geen gevolgen om deze te overschrijden).

2.3: Spelontwikkeling:

  • Meerdere theorieën rond spelontwikkeling

  • Gebaseerd op speelwerelden van Vermeer en de spelontwikkeling van Piaget

  • !!! De verschillende spelvormen blijven bestaan gedurende de levensloop

  • SPELEND ONTWIKKELEN (0-2 JAAR): ( niet enkel op cognitief vlak , ook op andere vlakken):

    • Bewegingen met het eigen lichaam ( spelen met eigen voetjes, vingertjes,)

speelwereld als lichamelijke wereld.

vb. trappelen met beentjes, bellen blazen.

    • Bewegen met reactiespeelgoed.

vb. rammelaar, muziekdoosje, stoffen boekje, speeldekentje.

    • Sensopathisch spel: spelend omgaan met vormloos materiaal zoals water, zand, klei, verf.  Zand dat door de vingers loopt, materiaal dat je voelt, dat vooral op het gevoel aankomt.

    • Begeleider:

      • Uitlokken. ( stimuleren, aanbieden van speelgoed).

      • (Non)verbale goedkeuring en reactie. ( goedkeuren, zelf mee spelen.)

      • Stimuleren en aanbieden van speelgoed.

      • Niet te veel speelgoed tegelijkertijd aanbieden. ( heel veel speelgoed voor het kind leggen, is zeer chaotisch voor het kind. Overzicht verliest, en niet aan spelen komt.)

  • SPELEND OMGAAN MET VOORWERPEN (1-2 JAAR):

    • Ontdekken van de functies van speelgoed. ( ontdekken waarvoor het speelgoed effectief dient). Vb. Speelgoed kam om de haren van je pop te kammen.

speelwereld als hanteerbare wereld. ( hanteren waarvoor het speelgoed bedoelt is).

    • Speels in- en uitpakken.

speelwereld als esthetische wereld ( veel bezig zijn, met inpakken, uitpakken , in de auto zetten en terug uit de auto. )

    • Functioneel spel: motorisch herhalend actief zijn, nog geen vorm of betekenis geven aan het spel. ( bewegingen herhalen, is nog geen doel( zonder doel. Vb. reepjes scheuren zonder dat er een doel is),.. Vb. blijven springen).  Vb. een bal. ( motorisch actief zijn, zonder dat je er een doel voor hebt.) , loopwagen.

    • Begeleider:

      • Stimuleren en bevestigen: eerder verbaal suggestief. ( vooral verbaal)

vb. Kijk eens, waar kan je het sterretje in steken?

      • Functies van het spel uitbreiden

Vb. De begeleider bouwt een brug en stimuleert het kind om met een autootje onder de brug te rijden.

  • SPELEND CONSTRUEREN (2-3 jaar):

    • Constructief spel = voorwerpen manipuleren om er iets mee te produceren of te bouwen(met herkenbaar eindproduct als doel). Vb. ik wil een huisje maken met deze blokjes.

    • Begeleider:

      • Uitlokken tot zelfontdekking en experimenteren.

      • Technieken voordoen.

vb. een hoek bouwen met duploblokken.

  • FANTASIE- EN ROLLENSPEL (3-4 JAAR):

    • Eerst pure imitatie, nadien meer gebruik van fantasie. ( imiteren van personen die nog aanwezig zijn)

speelwereld als illusieve wereld

    • Evolutie van gebruik van realistische voorwerpen naar minder concrete voorwerpen

Bv. kartonnen doosje wordt speelgoedradio

    • Piaget: symbolisch spel: Vb. Opa zien wandelen met een hond, ook gaan wandelen met een hond ( heeft geen hond, wordt een knuffel hond).

      • Meer en meer accommodatie

      • Geleerde handelingen worden toegepast op een substituut = doorbraak in de cognitieve ontwikkeling

    • Begeleider:

      • Samenspel/meespelen in het rollenspel.

      • Aanreiken van materiaal.

vb. verkleedkledij, poppenkastpoppen.

  • REGEL- EN GEZELSCHAPSSPELEN (5 à 6 JAAR)

    • Sociale vaardigheden: beurt afwachten, je aan spelregels (afspraken) houden, tegen je verlies kunnen. ( vormen van Uberich / gewetensvorming).

    • Piaget:

      • Meer accommodatie dan assimilatie.

      • Inzicht in de zinvolheid van regels .

 gewetensvorming.

    • Begeleider:

      • Gezelschapsspelletjes aanbieden op het niveau van het kind (eenvoudige  meer complexe regels).

      • Begeleiden in het leren omgaan met verlies.

      • Samen spelen.

2.4: De sociale aspecten van spelen:

  • Meer gefocust op de sociale interactie.

  • Parten: indeling op basis van de aard van de interacties tussen spelende kinderen:

    • Toeschouwersgedrag: ( jonge kinderen)kijken naar andere kinderen die spelen, soms commentaar geven of aanmoedigen.  Niet zelf spelen.

    • Solitair spel: alleen spelen, zichzelf bezig houden, geen poging tot contact zoeken met andere kinderen.

    • Parallelspel: met hetzelfde materiaal spelen, naast elkaar, zonder samenwerking, zonder interactie.( zandbak, eigen schop, eigen zandkasteel  Maar nog niet samen spelen, geen interactie).

    • Associatief spel: samen bezig maar zonder gemeenschappelijke taak /doel, wel praten met elkaar, elkaar informeren, uitwisselen materiaal.

    • Coöperatief spel: samen bezig én op elkaar afstemmen van activiteiten om gemeenschappelijk doel te bereiken, taak-, rol- en materiaalverdeling.

Eindresultaat = groepsproduckt.

  • Evolutie:

    • Peutertijd: meer toekijkend en solitair spel.

    • Kleutertijd: meer parallelspel.

    • Einde kleutertijd: meer associatief en coöperatief spel.

    • Verschillende spelvormen blijven bestaan:

      • Afhankelijk van situatie (bv. ergens ‘nieuw’ zijn , solitair spel).

      • Afhankelijk van de mate van sociale ervaring.

      • Afhankelijk van persoonlijke voorkeuren.

2.4: Welk speelgoed?:

  • Oorlogsspeelgoed:

    • Kinderen die al agressief zijn, hebben een voorkeur voor oorlogsspeelgoed.

    • Niet elk spel dat agressief lijkt, is agressief.

Bv. Herbeleving van aardbeving.

  • Speelgoed dat een gedetailleerde kopie is van de werkelijkheid: Invloed op fantasie?

    • Weinig onderzocht.

    • Dagelijkse leven wordt nagespeeld ongeacht het speelgoed.

    • Fantasievolle kinderen spelen intens met beperkt materiaal.

    • Kinderen met minder fantasie hebben wat meer ‘echte dingen’ nodig.

  • Sekseverschillen in de voorkeur voor speelgoed:

    • Jongens:

      • Arousal inducing speelgoed

      • Novelty preference

      • Actief materiaal dat prikkel.

    • Meisjes:

      • Arousal reducing speelgoed

      • Bekend speelgoed

      • Zacht speelgoed, veiligheid, geen nieuwe ervaringen.

  1. Kindertekeningen:

  • Start vanaf ongeveer 1 jaar.

  • Functies:

    • Uitdrukken van gevoelens, verwerken van emoties.

    • Leuke bezigheid.

    • Voorbereiding op lezen en schrijven.

! Grote individuele verschillen.

  • Verschillende stadia in tekenen:

    • Universeel.

3.1.1: Krabbelstadium ( 1 a 3 jaar):

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]