Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

7.2.3: Interactie met baby’s: ontluikende relaties:

  • Hoe ontwikkelen relaties in de babytijd?:

  • Specifiek, universeel gedrag ouder t.o.v. kind:

 Babytaal, overdreven gezichtsuitdrukkingen, imiteren gedrag baby, herhalingen, specifieke spelletjes.

  • Wederzijds regulatiemodel:

  • Baby’s en ouders leren emotionele stemmingen aan elkaar communiceren en daar adequaat op te reageren op de anderen.

  • Film : Still face experiment.

  • Zowel baby’s als ouders werken gezamenlijk mee aan zogenaamde beurtwisseling, waarbij de ene persoon wacht tot de ander klaar is met een bepaalde handeling voordat hij met een andere handeling begint.

  • Turn-taking:

  • 3m: ouder & kind evenveel invloed.

  • 6m: baby initieert vaker beurtnemen.

  • 9m: ouder & kind evenveel invloed.

  • Hoe wederzijds communiceren?:

 Gezichtsuitdrukkingen:

Wederzijdse socialisatie: hechtingsfiguur en baby hebben beiden hun aandeel.

 proces waarbij het gedrag van baby’s nieuwe responsen van ouders en andere verzorgers oproept.

 Het gedrag van de verzorgers roept vervolgens weer een reactie op bij het kind, waardoor de cyclus zich voortzet.

7.2.4: De sociale omgang van baby’s met leeftijdgenoten: interactie tussen baby’s:

  • Nog geen ‘vriendschappen’

  • Wel rudimentaire vormen van sociale interactie:

  • Glimlachen en gebruik stem.

  • Meer aandacht voor andere baby’s dan eigen spiegelbeeld.

  • Meer aandacht voor leeftijdsgenoten dan objecten.

  • Voorkeur voor bekenden.

 Cf. tweelingen.  Film: Talking baby’s.

  • Toename van sociaal gedrag met de leeftijd:

  • 9-12m: aanbieden speeltjes, kiekeboe, elkaar achterna kruipen.

  • Imiteren: leren van elkaar  Impact op cognitieve ontwikkeling.

7.3: Verschillen tussen baby’s:

7.3.1: Persoonlijkheidsontwikkeling: kenmerken die baby’s uniek maken:

  • Persoonlijkheid:

  • Geheel van duurzame eigenschappen die het ene individu van het andere onderscheiden.

  • Eriksons theorie van psychosociale ontwikkeling: Theorie die een verklaring biedt voor de manier waarop individuen zichzelf en de betekenis van het gedrag van anderen en zichzelf leren begrijpen.

  • Volgens Erikson doorlopen kinderen tijdens de eerste 18 maanden van hun leven het vertrouwen versus wantrouwen stadium.  In deze periode ontwikkelen zij een gevoel van vertrouwen of wantrouwen, afhankelijk van hoe goed hun verzorgers op hun behoeften reageren.

  • Erikson: 0-12/18 m  Kernconflict: Fundamenteel wantrouwen versus fundamenteel vertrouwen.

  • Belang van geborgenheid vanwege verzorgers.

  • Vertrouwen: Hoop dat behoeften bevredigd kunnen worden.

  • Wantrouwen: wereld is hard en onvriendelijk.  Geen vertrouwen in de wereld.

  • Egosterkte  Hoop ontwikkelen  Ik kan vertrouwen op mensen in deze wereld.

7.3.2: Temperament: stabiele factoren in het gedrag van een kind:

  • Temperament:

  • Patronen van arousal (prikkeling) en emotionaliteit die de consistente en duurzame eigenschappen van een individu vormen.

  • Het ‘hoe’ van gedrag.  Hoe hevig , op welke manier.

  • Genetisch bepaalde, aangeboren verschillen.

  • Vrij stabiel tot in de volwassenheid maar omgevingsinvloed mogelijk!

  • Dimensies van temperament:

  • Activiteitniveau: algemene mate van beweging.

  • Prikkelbaarheid: mate van agitatie, troostbaarheid, huilgedrag van streek geraken uit balans zijn.

  • Temperamentclusters:

  • Gemakkelijke baby’s (40%):

  • Positieve instelling , nieuwsgierig in nieuwe situaties, goede (zelf)regulatie, emoties met milde of lage intensiteit.

  • Droombaby, baby die altijd lacht, altijd vrolijk is,..

  • Slaap- eetritmes verlopen heel vlot en gemakkelijk. ( eenvoudig en consistent).

  • Moeilijke baby’s (10%):

  • Negatieve buien, moeilijke (zelf)regulatie, terugtrekken uit nieuwe situaties.

  • Langzame starters (15%):

  • Inactief, reageren vrij kalm op omgeving, trekken zich terug en passen zich langzaam aan.

  • Passieve kinderen, doen niet veel.

  • Restcategorie (35%):

  • De consequenties van temperament: Is temperament belangrijk?:

  • Goodness of fit: Het idee dat ontwikkeling afhankelijk is van de mate waarin het specifieke temperament van kinderen aansluit op de aard en de eisen van de omgeving waarin zij opgroeien.

  • Belang van goodness of fit tussen temperament en eisen van de omgeving:

  • Laag AN (activiteitsniveau)en lage PB( prikkelbaarheid): gedrag zelf bepalen.

  • Hoog AN en hoge PB: stevige begeleiding.  Nood aan structuur en grenzen.

  • Kan ook hoog AN en laag PB zijn.

  • Moeilijke kinderen meer risico op gedragsproblemen:

  • Belang van gedrag ouders: consistent en warm versus inconsistent en woedend.

  • Relatie met hechting:

  • Expressieve kinderen geven makkelijker noden en wensen aan.

  • De biologische basis van temperament:

  • Gedragsgenetica:

  • Temperament is erfelijk, vrij stabiel en vormt kern van persoonlijkheid.

  • Vb. Verlegenheid: remming t.o.v. onbekende.

 Kindertijd  Duurt voort in de volwassenheid.

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]