Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

7.2: Relaties aangaan:

7.2.1: Hechting: het vormen van sociale banden:

  • Hechting:

  • Hechting is de intieme fysieke en emotionele band die zich ontwikkelt tussen een kind en een specifiek individu.  Met primaire verzorger.

  • Tendens om nabijheid te zoeken van bepaalde andere leden van dezelfde soort.

  • Start prenataal, postnataal verderzetting met baby als actieve partner.

Hechting:

  • Langdurig

  • Hiërarchie van hechtingsfiguren.

  • Zoeken van fysieke en emotionele nabijheid

  • Zoeken van veiligheid en comfort.

Welke factoren bepalen wie als hechtingsobject gekozen wordt?:

  • Experiment Lorenz:

  • Biologisch. Vb. Ganzen die uit het ei komen en gaan zich onmiddellijk hechten aan het gene dat ze het eerst zien bewegen.

  • Inprenting:  Kritieke bindingsperiode net na de geboorte.

  • Freud:

  • Orale behoeftebevrediging door moeder.  Moeder voorziet aan het eten,..  Biologisch bepaaldheid.

  • Experiment Harlow:

  • Experiment aapjes  Weg genomen bij de mama kregen 2 nieuwe mama’s  1. Die voedsel gaf , ander die zacht was.  Gingen enkel naar de mama die voedsel gaf als ze honger hadden.  Is dus niet biologisch.

  • Contactcomfort.

  • Geen kritieke bindingperiode net na de geboorte.

Niet verzorging maar genegenheid en sensitiviteit zijn bepalend.

Sensitiviteit: Zo goed mogelijk signalen van kinderen waarnemen, interpreteren en er gepast op reageren.

Bowlby: Gehechtheidstheorie:

    • Hechting = samenspel tussen genen en omgeving

      • Inherente motivatie om veiligheid en zekerheid te zoeken en vijanden te ontwijken

      • Responsiviteit van de verzorger, bekendheid, beschikbaarheid en betrouwbaarheid = hechtingsfiguur

    • Veilige, stabiele hechting = thuisbasis om wereld te verkennen

    • Intern werkmodel  Schema over hoe relaties in elkaar zitten.  alle relaties die het kind aangaan staan in contact met het intern werkmodel.  Negatief werkmodel , kind heeft geen vertrouwen in de wereld en omgeving.

    • Moeder cruciale figuur met nodige biologische bagage

    • Belangrijke impact op latere psychosociale ontwikkeling.

Onveilige hechting = risicofactor voor allerhande psychopathologie.

  • Aard van de hechting in babytijd is bepalend voor de manier waarop we de rest van ons leven met andere omgaan MAAR hechtingsrelaties kunnen wijzigen.

  • Meten van de kwaliteit van gehechtheidsrelaties.

Vreemdesituatieprocedure van Ainsworth: ( procedure om na te gaan of een baby een veilige hechting heeft gehad of niet.)

    1. Moeder en baby gaan onbekende ruimte binnen.

    2. Moeder gaat zitten en laat baby de ruimte verkennen

    3. Onbekende komt binnen die eerst met moeder en dan met baby praat

    4. Moeder verlaat de ruimte en baby blijft achter bij onbekende

    5. Moeder komt terug, groet baby en stelt gerust

    6. Moeder en onbekende verlaten de ruimte, baby blijft alleen achter

    7. Onbekende komt terug

    8. Moeder komt terug en onbekende vertrekt

→ op basis van observaties van reacties van het kind:

 3 vormen van gehechtheid + 1 later toegevoegd.

  • 4 hechtingspatronen:

1. Veilige hechting: (type B) (± 2/3 van de kinderen)

    • Moeder is veilige ‘haven’

    • Exploreren wanneer zij er is

    • Bij scheiding: huilen of niet, minder op gemak en minder exploreren, gestresseerd geraken.

    • Bij terugkomst moeder: blij, toenadering zoeken, snel weer exploreren, snel naar de mama toe kruipen.

    • Gedrag ouders: sensitief( emoties van kinderen goed kunnen lezen, en correct hierop reageren) , consequent, geïnteresseerd, voorspelbaar.

2. (Angstig-)vermijdende hechting: (type A) (20% van de kinderen)

    • Vorm van onveilige hechting

    • Nabijheid moeder wordt niet opgezocht  trekt zich weinig aan van de moeder, hangt hier niet aan, zoekt geen affectie  Onverschillig.

    • Moeder vermijden als ze terugkomt

    • Lijkt onverschillig t.o.v. moeder wanneer zij er is en wanneer zij weggaat; ook t.o.v. vreemde .  Enorm verhoogde hartslag ( angstiger zijn dan dat ze doen uit schijnen.)

    • Weinig reactief, ondergaan

    • Gedrag ouders:

      • Ouder overweldigend, emotioneel overrompelend  Kinderen van deze ouders zijn angst vermijdend, zo weinig mogelijk bewegen,..

      • Ouder weinig interesse in noden kind Zijn weinig sensitief en responsief.  Kind gaat dan denken het maakt niet uit of ik ga wenen , mijn mama gaat toch niet reageren.

3. Angstig-ambivalente of afwerende hechting: (type C) (10-15% van de kinderen)

    • Vorm van onveilige hechting

    • Combinatie van positieve en negatieve reacties op moeder

    • Kleverig, zeer aanhankelijk, nauwelijks exploratie

    • Zeer heftige reactie bij scheiding: huilen, woede en frustratie

    • Ambivalente reacties als moeder terugkomt: afstoting door woede, nauwelijks exploratie, moeilijk troostbaar, nabijheid proberen zoeken maar ook schoppen en slaan

    • Gedrag ouders: inconsistent en onvoorspelbaar  Ene moment hard reageren het andere moment heel lief zijn.

4. Gedesorganiseerde en gedesoriënteerde hechting: (type D) (10-15% v.d. kinderen)

  • Vorm van onveilige hechting  Ernstige vorm. ( bij verwaarlozing)

  • Geen duidelijk patroon in gedrag

  • Inconsistent en vaak tegenstrijdig gedrag  Vb. Naar moeder gaan maar niet aankijken)

  • Verward, angst bij scheiding.

  • Bij terugkomst verzorger  Verstard of stereotiep gedrag.

Gedrag ouders  Ouders zelf zeer angstig, misbruik, verwaarlozing,…

  • Vreemdesituatieprocedure van Ainsworth:

  • Bestaat uit een aantal in scène gezette episoden die de kracht van de hechting tussen een kind en (meestal) zijn moeder illustreren. De procedure bestaat uit 8 stappen.

  1. De moeder en de baby gaan een onbekende ruimte binnen.

  2. De moeder gaat zitten en laat de baby de ruimte zelf ontdekken.

  3. Er komt een onbekende volwassene binnen, die eerst met de moeder en vervolgens met de baby praat.

  4. De moeder verlaat de ruimte en laat de baby alleen met de onbekende volwassenen achter.

  5. De moeder komt weer terug, waarbij ze de baby begroet en geruststelt

  6. De moeder verlaat de ruimte opnieuw, samen met de onbekende, zodat het kind alleen achterblijft.

  7. De onbekende komt terug.

  8. De moeder komt terug en de onbekende vertrekt.

  • Veilig hechtingspatroon:

  • Een hechtingsstijl waarbij kinderen hun moeder als een soort thuisbasis gebruiken en zich op hun gemak voelen als ze aanwezig is, als ze weggaat, raken ze van streek en zodra ze terugkomt gaan ze naar haar toe.

  • Angstig-vermijdend hechtingspatroon:

  • Een hechtingsstijl waarbij kinderen niet de nabijheid van hun moeder opzoeken. Als ze terugkomt nadat ze de kamer tijdelijk verlaten heeft, lijken ze haar te vermijden, alsof ze boos zijn vanwege haar gedrag.

  • Angstig-ambivalent hechtingspatroon:

  • Een hechtingsstijl waarbij kinderen een combinatie van positieve en negatieve reacties op hun moeder vertonen. Als ze weggaat, raken ze zeer gestrest. Maar als ze terugkomt, vertonen ze ambivalente reacties; ze proberen haar nabijheid te zoeken, maar gaan ook slaan en schoppen.

  • Gedesorganiseerd en gedesoriënteerd hechtingspatroon:

  • Een hechtingsstijl waarbij kinderen inconsistent en vaak tegenstrijdig gedrag vertonen.

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]