- •1.1: Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie:
- •Individuele ontwikkeling:
- •1.1.2: De invloed van cohorten op ontwikkeling: Ontwikkelen in een sociale wereld:
- •Normatieve historisch bepaalde invloeden:
- •Vb. 9/11; atoombom, rampen, Tsunami, oorlog, Banken crisis, Dutroux.
- •Leeftijdsgebonden invloeden:
- •Normatieve sociaal-cultureel bepaalde invloeden:
- •Niet- normatieve gebeurtenissen:
- •1.2: Kinderen: verleden, heden en toekomst:
- •1.2.1: Vroegere denkbeelden over kinderen:
- •Continue versus discontinue verandering
- •Levensloopmodel versus focus op specifieke perioden
- •Impact nature en nurture op ontwikkeling
- •Continue verandering versus discontinue verandering:
- •Kritieke en gevoelige perioden: de invloed van de omgeving:
- •Levensloopmodel versus focus op specifieke perioden:
- •De relatieve invloed van nature en nurture op de ontwikkeling:
- •Interactionisme:
- •Gevolgen voor de opvoeding van de kinderen en voor sociaal beleid:
- •2.1: Visies op kinderen:
- •2.1.1: Het psychodynamisch perspectief: focus op innerlijke krachten:
- •De psychoanalytische theorie van Freud:
- •Superego of über-ich
- •De orale fase (0 – 1,6 jaar):
- •De anaal-sadistische fase (1,6 – 3 jaar):
- •De fallische fase (3 – 5 à 6 jaar):
- •De genitale fase (11 - ... Jaar):
- •De psychosociale theorie van Erikson: Meningen over het psychodynamisch perspectief:
- •Van vrienden verwacht men een goede invloed hebben.
- •Vroegere psychosociale identiteit
- •Versterkt verzwakt
- •Verschilpunten Freud:
- •2.1.2: Het behavioristisch perspectief: focus op waarneembaar gedrag:
- •Klassieke conditionering:
- •Operante conditionering:
- •De sociaal-cognitieve leertheorie: leren door te imiteren:
- •Wie wordt als model gekozen?
- •2.1.3: Het cognitief perspectief: kijken naar de oorsprong van ons begrip:
- •3 Visies:
- •De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget:
- •De informatieverwerkingstheorie:
- •2.1.5: Het evolutionair perspectief: wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag:
- •2.1.6: Waarom ‘ welk perspectief is het juiste?’ De verkeerde is?:
- •3.1: Erfelijkheid:
- •3.1.1 Genen en chromosomen: De code van het leven:
- •3.1.6: Genetische advisering: De toekomst voorspellen aan de hand van genen:
- •3.2: De interactie tussen erfelijkheid en omgeving:
- •3.2.1: De rol van de omgeving: van genotype naar fenotype:
- •Interactie van factoren:
- •3.2.2: Een antwoord op het nature- nurture- raadsel:
- •3.2.7: Kunnen genen de omgeving beïnvloeden:
- •Actieve genotype- omgevingseffecten:
- •Passieve genotype – omgevingseffecten:
- •Evocatieve genotype- omgevingseffecten:
- •3.3: Prenatale groei en verandering:
- •3.3.2: De stadia van de prenatale periode: Het begin van de ontwikkeling:
- •Vanaf de embryonale fase van de moeder de baby voelen.
- •3.3.3: Problemen rond de conceptie:
- •3.3.4: De prenatale omgeving: Bedreigingen voor de ontwikkeling:
- •4.1: Geboorte:
- •4.1.2: Geboorte: van foetus tot pasgeborene:
- •4.2: Complicaties tijdens de geboorte:
- •4.2.1: Premature baby’s: te vroeg, te klein:
- •4.2.2: Postmature baby’s: te laat , te groot:
- •4.3: Wat een pasgeboren baby allemaal kan:
- •4.3.1: Fysieke vaardigheden: voldoen aan de eisen van een nieuwe omgeving:
- •4.3.3: Het leervermogen van de pasgeborene:
- •4.3.4: Sociale vaardigheden: Reageren op anderen:
- •5.1: Groei en ontwikkeling:
- •5.1.1: Fysieke groei: de snelle schreden van de babytijd:
- •4 Principes van groei: ( meerkeuzevraag: waar hoort dit voorbeeld bij)
- •5.1.2: Het zenuwstelsel en de hersenen: De fundamenten van onze ontwikkeling:
- •5.1.3: Integratie van de lichaamssystemen: de cycli van de babytijd:
- •5.2: De motorische ontwikkeling:
- •5.2.1: Reflexen: onze aangeboren fysieke vaardigheden:
- •5.2.2: Motorische ontwikkeling bij baby’s: fysieke mijlpalen:
- •5.2.4: Voeding in de babytijd: De brandstof voor de motorische ontwikkeling:
- •5.3.2: Auditieve perceptie: de wereld van het geluid:
- •5.3.3: Geur & smaak:
- •5.3.4: Gevoeligheid voor pijn & aanrakingen:
- •5.3.5: Multimodale perceptie: De input van individuele zintuigen gecombineerd:
- •6.1: Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •6.1.1: Belangrijke elementen van Piagets theorie:
- •6.1.2: De sensomotorische periode: De basis van de vroege cognitieve groei:
- •6.1.3: Meningen over Piaget: Steun en kritiek:
- •6.2: De informatieverwerkingstheorie van cognitieve ontwikkeling:
- •6.2.1: Codering, opslag & ophalen: De grondslagen van informatieverwerking:
- •6.2.2: Het geheugen in de babytijd:
- •Vraagje:
- •6.2.3: Individuele verschillen in intelligentie: is de ene baby slimmer dan de anderen?:
- •Individuele intelligentieverschillen: De informatieverwerkingstheorie:
- •6.3: De wortels van onze taal:
- •6.3.1: De basisbeginselen van taal: van geluiden naar symbolen:
- •Vroegere geluiden & communicatie:
- •6.3.2: Het ontstaan van taalontwikkeling:
- •6.3.3: Praten tegen kleine kinderen : Babytaal:
- •7.1: De basis van sociaal gedrag:
- •7.1.1: Emoties in de babytijd: kennen baby’s emotionele pieken en dalen?:
- •Vreemdenangst & scheidingsangst:
- •7.1.2: Social referencing: voelen wat anderen voelen:
- •2 Verklaringen voor social referencing:
- •7.1.3: De ontwikkeling van het ik: Weten baby’s wie ze zijn?:
- •7.1.4: Theory of mind: Hoe baby’s het mentale leven van anderen en van zichzelf zien:
- •7.2: Relaties aangaan:
- •7.2.1: Hechting: het vormen van sociale banden:
- •7.2.2: De totstandkoming van hechting: De rollen van moeder & vader:
- •Vaders & hechting:
- •7.2.3: Interactie met baby’s: ontluikende relaties:
- •7.2.4: De sociale omgang van baby’s met leeftijdgenoten: interactie tussen baby’s:
- •7.3: Verschillen tussen baby’s:
- •7.3.1: Persoonlijkheidsontwikkeling: kenmerken die baby’s uniek maken:
- •7.3.2: Temperament: stabiele factoren in het gedrag van een kind:
- •7.3.3: Gender: Jongens in het blauw, meisjes in het roze:
- •8.1: Fysieke groei:
- •8.1.1: Het groeiende lichaam:
- •Individuele verschillen in lengte & gewicht:
- •Veranderingen in lichaamsvorm – en structuur:
- •8.1.2: De groeiende hersenen:
- •8.1.3: Het verband tussen groei van de hersenen en cognitieve ontwikkeling:
- •8.1.4: De ontwikkeling van de zintuigen:
- •8.2: De motorische ontwikkeling:
- •8.2.1: De grove motoriek:
- •8.2.2: De fijne motoriek:
- •8.2.3: Zindelijk worden: Wanneer en hoe?:
- •8.2.5: De tekening als graadmeter van ontwikkeling:
- •Vanaf 6 jaar:
- •Vanaf 7 jaar:
- •Vlakverdeling
- •Vormstadium - vlakverdelingspatronen
- •Vraag: Bij welk stadium horen deze tekeningen?
- •9.1:De intellectuele ontwikkeling:
- •9.1.1: Piagets stadium van pre operationeel denken:
- •3 Kenmerken:
- •Intuïtief denken (4 à 5 – 7 jaar):
- •4 Onvolkomenheden in het preoperationeel denken: (belangrijke fouten)
- •Voorbeeldvragen
- •Gecentreerd denken
- •Onvolledig begrip van transformaties
- •10.1: Een antwoord op de vraag ‘ wie ben ik’?:
- •10.1.1: De persoonlijkheidsontwikkeling: Conflicten oplossen:
- •10.1.2: Het zelfbeeld in de peuter & kleutertijd:
- •10.1.3: Genderidentiteit: Het ontstaan van mannelijkheid & vrouwelijkheid:
- •Voorbeeldvragen:
- •10.2: Vrienden & familie: Het sociale leven van peuters & kleuters:
- •10.2.1: Het ontstaan van vriendschappen:
- •10.2.2: De regels van het spel:
- •10.2.3: De theory of mind van peuters & kleuters: begrippen wat anderen denken:
- •10.3: Morele ontwikkeling & agressie:
- •10.3.1: Het ontstaan van moreel besef: Goed & fout in de maatschappij:
- •12.1: De intellectuele & taalkundige ontwikkeling:
- •12.1.1: De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •12.1.2: Informatieverwerking in schooltijd:
- •Verbetering van geheugen:
- •12.1.4: Taalontwikkeling: de betekenis van woorden:
- •12.3: Onderwijs: Lezen, schrijven & rekenen ( & meer):
- •12.3.3: Lezen: Het leren ontcijferen van de betekenis van woorden:
- •13.1: De ontwikkeling van het eigen ik:
- •13.1.1: De psychosociale ontwikkeling in de schooltijd: Vlijt versus minderwaardigheid:
- •13.1.2: Een nieuw antwoord op de vraag: wie ben ik?:
- •Verschuiving van fysieke naar psychologische karakterisering van het ik:
- •13.1.3: Eigenwaarde: hoe kinderen een beeld van zichzelf ontwikkelen:
- •13.2: Relaties: Vriendschappen in de schooltijd:
- •13.2.1: Stadia van vriendschap: Een veranderende kijk op vrienden:
- •13.2.3: Gender & vriendschap: Segregatie van de seksen in de schooltijd:
- •13.2.4: Interetnische vriendschappen: integratie binnen & buiten het klaslokaal:
- •13.2.5: Pesten op school & online:
- •14.1: Fysieke rijping:
- •14.1.1: Groei in de adolescentie: Het snelle tempo van de fysieke rijping:
- •14.1.2: Puberteit: het begin van de seksuele rijping:
- •14.1.3: Beeld van het eigen lichaam: Reacties op fysieke veranderingen in de adolescentie:
- •14.1.4: De timing van de puberteit: Gevolgen van vroege & late rijping:
- •Vroege rijping:
- •14.3: Bedreigingen van het welzijn van adolescenten:
- •14.3.2: Drugs:
- •14.3.4: Tabak: De gevaren van roken:
- •14.3.5: Seksueel overdraagbare aandoeningen:
- •Verschillen naar opleidingsniveau:
- •15.1 De intellectuele ontwikkeling:
- •15.1.1: De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
- •15.1.2: De informatieverwerkingstheorie: geleidelijke veranderingen in vermogens:
- •15.1.3: De adolescent als het middelpunt van het universum:
- •15.2: De morele ontwikkeling:
- •15.2.1: Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling:
- •15.3: Schoolprestaties en cognitieve ontwikkeling:
- •15.3.1: De overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs: (niet kennen)
- •15.3.2: Sociaaleconomisch status en schoolprestaties: individuele prestatieverschillen: (niet kennen)
- •Veiligheid op school en kwaliteit van het onderwijs:
- •15.3.3: Etnische verschillen in schoolprestaties: (niet kennen)
- •15.3.8: Gender & prestaties in het hoger onderwijs:
- •Verschillen tussen werkende en studerende jongeren?
- •15.4: Het kiezen van een beroep: Het werk van je leven:
- •15.4.1: De 3 perioden van Ginzberg:
- •15.4.2: De 6 persoonlijkheidstypen van Holland:
- •15.4.3: Gender & carrièrekeuze: Vrouwenwerk:
- •16.1: Identiteit: Een antwoord op de vraag ‘ Wie ben ik?’:
- •16.1.1: Zelfbeeld/ Eigenwaarde: Beschrijving van het ik:
- •16.1.2: Eigenwaarde: Beoordeling van het ik: ( 16.1.1)
- •16.1.3: Identiteitsvorming in de adolescentie: Verandering of crisis?:
- •16.1.4: Marcia’s theorie van identiteitsontwikkeling:
- •Vraagje: welke identiteitsstatus is hier van toepassing?:
- •16.2: Relaties: Familie en vrienden:
- •16.2.1: Familiebanden: Veranderende relaties binnen het gezin:
- •16.2.2: Ouder-kind conflicten in de adolescentie:
- •16.2.3: Relaties met leeftijdgenoten: Het belang van ‘erbij horen’:
- •Vriendenclubs en subculturen: Bij een groep horen:
- •16.2.5: Conformiteit: Peer pressure in de adolescentie:
- •Inleiding:
- •Agressie:
- •Koppigheid:
- •Slaapproblemen:
- •Hechting:
- •Volwassenheid:
- •Intimiteit.
- •Volgende les: laatste lesbeurt.
- •10.2: Cognitieve ontwikkeling:
- •2 Visies:
- •Contextuele theorie voor intelligentie (Sternberg):
- •10.3: Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling:
Vroegere geluiden & communicatie:
De prelinguale fase:
Prelinguale fase: Gehoor is heel belangrijk, ze moeten de taal goed kunnen horen om ze te beheersen. Luisteren is iets anders wat dat is selectief.
Preverbale of prelinguïstische periode: Nog geen communicatie door spreken maar wel door geluiden, brabbelen , gezichtsuitdrukkingen , gebaren, imitatie.
Prelinguïstische communicatie.
Ontwikkeling van het auditieve systeem:
Luisteren = selectieve en gerichte aandacht voor geluiden
Herkennen van spraakklanken en woorden en zinnen wordt mogelijk
Luisteren gebeurt meer en meer taal specifiek
Ontwikkeling van het auditieve systeem is de basis voor de taalontwikkeling.
Auditieve systeem Belangrijk want kinderen die in een rumoerige omgeving opgroeien zullen later sneller concentratieproblemen hebben.
Taalproductie: Ontwikkeling:
Huilen:
<3 maanden: Vocaliseren: Eerste geluidjes door onwillekeurige bewegingen van de tong, lippen en verhemelte : Uiting van welbehagen.
Vocaliseren oefenen van gezichtsbeweging zoals de lippen, blijk van tevredenheid of ontevredenheid.
3-6 maanden: Universeel brabbelen: is de productie van klanken zonder betekenis.
Brabbelen is onafhankelijk van de taal, nog niet taal specifiek
1ste klinkerachtige geluidjes.
Later medeklinkerachtige geluidjes
Onafhankelijk van de taal
Turntaking start
Turntaking= je gaat op elkaar afstellen op vlak van communicatie, afwisselen binnen de communicatie. Voorbeeld filmpje: interactie tussen vader en kind, samen afwisselend geluidjes maken.
Dove kinderen :
gaat ook gebrabbel voorkomen maar is wel anders (lagere toon, ander ritme, ander patroon) , maken al wel veel meer gebruik van gebaren.
Vanaf 6 maanden: taal specifiek brabbelen:
Eigen klankproductie wordt afgestemd op de waargenomen klanken.
Vanaf 6 maanden zijn de kinderen meer gevoelig voor klanken uit de eigen taal dan uit de andere taal.
Taal specifiek brabbelen vooral de moedertaal
Geen vaste volgorde in klankontwikkeling.
Imitatie van klanken en intonaties.
Sociaal brabbelen: Luisteren & initiatief nemen tot een gesprek.
Vanaf 12 maanden: fase van jargon:
Eigen brabbeltaal als uitdrukkingsmiddel.
Geen vaste volgorde: Sommige kinderen gaan eerst de M uitspreken voor de P daarom zeggen kinderen soms eerst mama dan pas papa.
Jargontaal Eigen brabbeltaal, zonder betekenis Ouders gaan dat niet kunnen interpreteren.
Praten tegen baby’s:
Babytaal Is de taal die gericht is op baby’s.
Korte , eenvoudige zinnetjes.
Hogere toon.
Meer variatie in frequenties
Meer gevarieerde intonatie
Herhaling van woorden
Geluidjes.
Pasgeboren baby’s horen babytaal liever.
Verband tussen intensieve blootstelling aan babytaal en de relatief vroege uiting van woordjes bij het kind.
Taal die ouders spreken tegen hun kind is gerelateerd aan het geslacht van het kind.
Hoe?:
Meisjes hebben een hogere toon, warmere taal, verkleinwoordjes.
Jongens hebben meer duidelijke taal.
Hoe meer babytaal dat er gebruikt wordt op jonge leeftijd, hoe sneller de kinderen zelf woordjes gaan uitspreken.
Worden verschillen gebruikt tussen meisjes en jongens, zoals de toonhoogte Bij meisjes is deze hoger en betuttelende. Als het kind iets verkeerd doen zal bij de jongens met duidelijkere taal worden gesproken.
HET EENWOORDSTADIUM (holofrasen):
Presymbolisch stadium: de betekenisfunctie van de taal wordt nog niet begrepen
cognitieve
ontwikkeling
Symbolisch stadium: ontstaan van het besef dat taal verwijst naar voorwerpen, emoties, situaties
Vanaf 10 maanden (-18 maanden): vormen van woorden die verwijzen naar iets/iemand
Taal krijgt naast een uitdrukkingsfunctie en appellerende functie ook een verwijzende functie
Uitdrukkingsfunctie: ‘au’ Bij pijn.
Appellerende: Als het kind de mama nodig heeft zal het kind ook degelijk mama zeggen.
Verwijzende: Ziet een koek in de winkel Wijze en het woord proberen te zeggen.
Holofras 1 woord zin 1 woord staat voor een hele zin met een betekenis afhankelijk van de context Belang van intonatie.
De betekenis van woorden worden geleerd door de reactie van volwassenen.
Volwassenen leiden uit de context af wat het kind bedoelt.
Rond 15 maanden ( -18 maanden) : Gemiddeld 10 woorden.
Zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden, zelfbedachte woorden = neologismen.
Intonatie: Zoals een vragende toon of een bevestigende toon,.. Ouders hebben die intonatie nodig om het te kunnen begrijpen.
Neologisme: vb. het kind wil zeggen dat het zich moet haasten gaat het kind ‘vluggen’ zeggen Zelfbedachte woordjes.
Met verschillende intonatie ( ontkennend, vragend,..)
Het tweewoordstadium:
Vanaf 18 maanden ( -24maanden):
Begrip van volgorde waarin woorden geplaatst worden.
Volgorde: vb. Eerst het onderwerp en dan pas het werkwoord. Geleidelijk evolutie.
Begrip van de betekenis van een woordvolgorde.
Gebruik van tweewoordzinnen naast brabbelen en eenwoordzinnen.
Uitdrukking van relaties tussen dingen
Uitdrukking relaties: Vb. ‘Robbe koud’ Het kind wil zeggen dat hij het koud heeft.
Meer genuanceerde uitdrukking mogelijk van wensen en frustraties ( maar nog steeds belang van context voor begrip vanuit omgeving.
Gelijkenis tussen tweewoordzinnen en volwassen taal:
Volgorde van woorden nl. onderwerp-werkwoord.
Verschilpunten met volwassen taal:
Telegramstijl Zijn woorden die niet van belang zijn voor de betekenis worden weg gelaten. Vb. ‘Nog koekje’ i.p.v. ‘ ik wil nog een koekje’.
Manier van praten waarbij woorden worden weggelaten die niet cruciaal zijn voor de boodschap.
Onder extensie (ondergeneralisatie): Onder generalisatie De gewoonte om woorden beperkt te gebruiken. Vb. ‘bal’ enkel gebruikt voor het rode balletje van de poes en voor geen andere ballen ( discrimineren).
Over extensie (overgeneralisatie): Over generalisatie De betekenis van een woord wordt gegeneraliseerd. Vb. ‘bal’ wordt ook gebruikt voor een sinaasappel.
Wijst op cognitieve vooruitgang: ontwikkeling van concepten en categorieën.
Referentiële stijl: Spreekstijl waarbij taal primair wordt gebruikt om objecten te benoemen.
Expressieve stijl: Spreekstijl waarbij taal primair wordt gebruikt om gevoelens en behoeften van zichzelf en van anderen uit te drukken.
Snelle toename van de woordenschat:
Tussen 16-24 maanden: Toename van 50-400 woorden.
Vanaf 24 maanden: Korte periode van driewoordzinnen.
Woordvorming blijft onvolledig aangezien spraakmotoriek nog onvoldoende ontwikkeld is.
Ontwikkeling: Ook al worden er fouten gemaakt, er is toch sprake van een ontwikkeling want het kind maakt categorieën. Linken tussen fouten en ontwikkeling, door fouten te maken kan je zien dat er een ontwikkeling is.
Driewoordzinnen: Meestal een korte periode, kind gaat heel snel evolueren naar zinnen die bestaan uit meer dan 2 of 3 woorden.
De differentiatiefase (2,5 -6 jaar):
Het taalgebruik wordt verder afgestemd op de taalvoorbeelden uit de omgeving. Dit leidt tot: ( Goed onderscheid maken tussen correct taalgebruik en incorrect taalgebruik) Kleuterfase.
Meer begrip van de taalregels en meer toepassing ervan.
Betere syntaxis Combinatie van woorden tot zinnen.
Langere zinnen. ( 2,5 jaar: al zinnen van 3-5 woorden mogelijk.)
Grote creativiteit : zelf zinnen bouwen.
Toename van woordenschat: 14.000 woorden op 6 jaar.
Fast mapping = Snelle koppeling van nieuwe woorden aan hun betekenis.
Gebruik van meer woordsoorten:
Aanwijzende voornaamwoorden: Die, dat, deze,..
Voorzetsels: in, op Naast, boven, onder,.. fouten tot 4 a 5 jaar.
Persoonlijke voornaamwoorden: ik ( i.p.v. eigen naam) , jij, wij,..
Gebruik van meervoudsvormen ( vaak nog geen correcte verbuiging):
Vb. Tafelen i.p.v. tafels ,..
Vervoeging van werkwoorden in 1e en 3e persoon enkelvoud ( pas een einde 3de levensjaar minder fouten). Kan een periode heel goed gaan, maar kan dan opeens terug afzwakken.
Vervoeging van werkwoorden in verleden tijd:
Nog veel fouten Vb. Slaapte jij? ( pas aan 4 a 5 jaar minder fouten – voltooid deelwoord vanaf 5 a 6 jaar juister)
Soms na periode van juist gebruik.
Over generalisatie: stam +te.
Gebruik van grammaticale regels steeds beter:
Vb. ‘ ik heb honger ‘ en niet ‘ ik ben honger’.
Aan het begin van differentiatiefase : soms ‘belangrijkste’ woord voorop.
Grammatica gaat beter evolueren omdat er een tijdsbesef ontstaat.
Spraakmotorische verfijning:
Meeste klanken worden goed uitgesproken tegen einde fase, eventueel met uitzondering van ‘s’ en ‘r’.
Grote interindividuele tempoverschillen.
Egocentrisch taalgebruik : Het kind praat met/tegen zichzelf, eventueel in de jij vorm.
Vygotsky: egocentrisch taalgebruik geeft sturing aan gedrag en gedachten en helpt problemen op te lossen.
Egocentrisch taalgebruik bevordert de taalpragmatiek ( = informele regels van de taal), met andere woorden leert het kind effectief en toepasselijk communiceren.
Toename van sociaal taalgebruik (> 3 jaar) met andere woorden meer taalgebruik dat op anderen gericht is en dat door de anderen begrepen moet worden.
Aandacht voor pragmatiek is noodzakelijk.
Belemmering door fouten in ‘ rolneming’.
Belang van blootstelling aan veel en gevarieerde taal.
Aandacht voor het sociaal-economisch milieu waarin kinderen opgroeien.
Taal in de schooltijd:
Nog geen volwassen taalgebruik.
Verdere uitbreiding woordenschat.
Grammatica: Toenemend gebruik van de passieve vorm.
Begrip van syntaxis verbetert verder: Van woorden Zinnen.
Uitspraak van fonemen verbetert.
Begrip van betekenis van een zin door gebruik van intonatie nog moeilijk.
Toenemende competentie in taalpragmatiek.
Groeiend besef van het eigen taal gebruik = Metalinguïstisch bewustzijn.
Meer expliciet begrip van de taalregels.
Vragen naar verheldering bij onduidelijke boodschappen.
Praten tegen zichzelf helpt om het eigen gedrag te reguleren. ( Experiment Marshmallow).
Test je kennis:
Welk van de onderstaande uitspraken is juist? Over het algemeen kan een kind van 24 maanden…
holofrasen gebruiken.
tweewoordzinnen produceren.
de fout maken het woord “poes” ook te gebruiken om naar een hond te verwijzen.
in telegramstijl praten.
Alle bovenstaande uitspraken zijn juist.
