Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать
  • Vroegere geluiden & communicatie:

De prelinguale fase:

  • Prelinguale fase: Gehoor is heel belangrijk, ze moeten de taal goed kunnen horen om ze te beheersen. Luisteren is iets anders wat dat is selectief.

  • Preverbale of prelinguïstische periode: Nog geen communicatie door spreken maar wel door geluiden, brabbelen , gezichtsuitdrukkingen , gebaren, imitatie.

Prelinguïstische communicatie.

  • Ontwikkeling van het auditieve systeem:

  • Luisteren = selectieve en gerichte aandacht voor geluiden

  • Herkennen van spraakklanken en woorden en zinnen wordt mogelijk

  • Luisteren gebeurt meer en meer taal specifiek

 Ontwikkeling van het auditieve systeem is de basis voor de taalontwikkeling.

 Auditieve systeem  Belangrijk want kinderen die in een rumoerige omgeving opgroeien zullen later sneller concentratieproblemen hebben.

  • Taalproductie: Ontwikkeling:

  • Huilen:

  • <3 maanden: Vocaliseren: Eerste geluidjes door onwillekeurige bewegingen van de tong, lippen en verhemelte : Uiting van welbehagen.

  • Vocaliseren oefenen van gezichtsbeweging zoals de lippen, blijk van tevredenheid of ontevredenheid.

  • 3-6 maanden: Universeel brabbelen:  is de productie van klanken zonder betekenis.

  • Brabbelen is onafhankelijk van de taal, nog niet taal specifiek

  • 1ste klinkerachtige geluidjes.

  • Later medeklinkerachtige geluidjes

  • Onafhankelijk van de taal

  • Turntaking start

 Turntaking= je gaat op elkaar afstellen op vlak van communicatie, afwisselen binnen de communicatie. Voorbeeld filmpje: interactie tussen vader en kind, samen afwisselend geluidjes maken.

 Dove kinderen :

  • gaat ook gebrabbel voorkomen maar is wel anders (lagere toon, ander ritme, ander patroon) , maken al wel veel meer gebruik van gebaren.

  • Vanaf 6 maanden: taal specifiek brabbelen:

  • Eigen klankproductie wordt afgestemd op de waargenomen klanken.

  • Vanaf 6 maanden zijn de kinderen meer gevoelig voor klanken uit de eigen taal dan uit de andere taal.

  • Taal specifiek brabbelen vooral de moedertaal

  • Geen vaste volgorde in klankontwikkeling.

  • Imitatie van klanken en intonaties.

  • Sociaal brabbelen: Luisteren & initiatief nemen tot een gesprek.

  • Vanaf 12 maanden: fase van jargon:

  • Eigen brabbeltaal als uitdrukkingsmiddel.

  • Geen vaste volgorde: Sommige kinderen gaan eerst de M uitspreken voor de P daarom zeggen kinderen soms eerst mama dan pas papa.

  • Jargontaal  Eigen brabbeltaal, zonder betekenis  Ouders gaan dat niet kunnen interpreteren.

  • Praten tegen baby’s:

  • Babytaal  Is de taal die gericht is op baby’s.

  • Korte , eenvoudige zinnetjes.

  • Hogere toon.

  • Meer variatie in frequenties

  • Meer gevarieerde intonatie

  • Herhaling van woorden

  • Geluidjes.

  • Pasgeboren baby’s horen babytaal liever.

  • Verband tussen intensieve blootstelling aan babytaal en de relatief vroege uiting van woordjes bij het kind.

  • Taal die ouders spreken tegen hun kind is gerelateerd aan het geslacht van het kind.

  • Hoe?:

  • Meisjes hebben een hogere toon, warmere taal, verkleinwoordjes.

  • Jongens hebben meer duidelijke taal.

  • Hoe meer babytaal dat er gebruikt wordt op jonge leeftijd, hoe sneller de kinderen zelf woordjes gaan uitspreken.

  • Worden verschillen gebruikt tussen meisjes en jongens, zoals de toonhoogte  Bij meisjes is deze hoger en betuttelende. Als het kind iets verkeerd doen zal bij de jongens met duidelijkere taal worden gesproken.

HET EENWOORDSTADIUM (holofrasen):

  • Presymbolisch stadium: de betekenisfunctie van de taal wordt nog niet begrepen

cognitieve ontwikkeling

Symbolisch stadium: ontstaan van het besef dat taal verwijst naar voorwerpen, emoties, situaties

  • Vanaf 10 maanden (-18 maanden): vormen van woorden die verwijzen naar iets/iemand

 Taal krijgt naast een uitdrukkingsfunctie en appellerende functie ook een verwijzende functie

  • Uitdrukkingsfunctie: ‘au’  Bij pijn.

  • Appellerende: Als het kind de mama nodig heeft zal het kind ook degelijk mama zeggen.

  • Verwijzende: Ziet een koek in de winkel  Wijze en het woord proberen te zeggen.

  • Holofras  1 woord zin  1 woord staat voor een hele zin met een betekenis afhankelijk van de context  Belang van intonatie.

  • De betekenis van woorden worden geleerd door de reactie van volwassenen.

  • Volwassenen leiden uit de context af wat het kind bedoelt.

  • Rond 15 maanden ( -18 maanden) : Gemiddeld 10 woorden.

  • Zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden, zelfbedachte woorden = neologismen.

  • Intonatie: Zoals een vragende toon of een bevestigende toon,.. Ouders hebben die intonatie nodig om het te kunnen begrijpen.

  • Neologisme: vb. het kind wil zeggen dat het zich moet haasten gaat het kind ‘vluggen’ zeggen  Zelfbedachte woordjes.

  • Met verschillende intonatie ( ontkennend, vragend,..)

Het tweewoordstadium:

  • Vanaf 18 maanden ( -24maanden):

  • Begrip van volgorde waarin woorden geplaatst worden.

Volgorde: vb. Eerst het onderwerp en dan pas het werkwoord.  Geleidelijk evolutie.

  • Begrip van de betekenis van een woordvolgorde.

 Gebruik van tweewoordzinnen naast brabbelen en eenwoordzinnen.

 Uitdrukking van relaties tussen dingen

Uitdrukking relaties: Vb. ‘Robbe koud’  Het kind wil zeggen dat hij het koud heeft.

 Meer genuanceerde uitdrukking mogelijk van wensen en frustraties ( maar nog steeds belang van context voor begrip vanuit omgeving.

  • Gelijkenis tussen tweewoordzinnen en volwassen taal:

  • Volgorde van woorden nl. onderwerp-werkwoord.

  • Verschilpunten met volwassen taal:

  • Telegramstijl  Zijn woorden die niet van belang zijn voor de betekenis worden weg gelaten.  Vb. ‘Nog koekje’ i.p.v. ‘ ik wil nog een koekje’.

 Manier van praten waarbij woorden worden weggelaten die niet cruciaal zijn voor de boodschap.

  • Onder extensie (ondergeneralisatie): Onder generalisatie  De gewoonte om woorden beperkt te gebruiken.  Vb. ‘bal’ enkel gebruikt voor het rode balletje van de poes en voor geen andere ballen ( discrimineren).

  • Over extensie (overgeneralisatie): Over generalisatie  De betekenis van een woord wordt gegeneraliseerd.  Vb. ‘bal’ wordt ook gebruikt voor een sinaasappel.

 Wijst op cognitieve vooruitgang: ontwikkeling van concepten en categorieën.

  • Referentiële stijl:  Spreekstijl waarbij taal primair wordt gebruikt om objecten te benoemen.

  • Expressieve stijl:  Spreekstijl waarbij taal primair wordt gebruikt om gevoelens en behoeften van zichzelf en van anderen uit te drukken.

  • Snelle toename van de woordenschat:

  • Tussen 16-24 maanden: Toename van 50-400 woorden.

  • Vanaf 24 maanden: Korte periode van driewoordzinnen.

  • Woordvorming blijft onvolledig aangezien spraakmotoriek nog onvoldoende ontwikkeld is.

  • Ontwikkeling: Ook al worden er fouten gemaakt, er is toch sprake van een ontwikkeling want het kind maakt categorieën.  Linken tussen fouten en ontwikkeling, door fouten te maken kan je zien dat er een ontwikkeling is.

  • Driewoordzinnen: Meestal een korte periode, kind gaat heel snel evolueren naar zinnen die bestaan uit meer dan 2 of 3 woorden.

De differentiatiefase (2,5 -6 jaar):

  • Het taalgebruik wordt verder afgestemd op de taalvoorbeelden uit de omgeving. Dit leidt tot: ( Goed onderscheid maken tussen correct taalgebruik en incorrect taalgebruik)  Kleuterfase.

  • Meer begrip van de taalregels en meer toepassing ervan.

  • Betere syntaxis  Combinatie van woorden tot zinnen.

  • Langere zinnen. ( 2,5 jaar: al zinnen van 3-5 woorden mogelijk.)

  • Grote creativiteit : zelf zinnen bouwen.

  • Toename van woordenschat: 14.000 woorden op 6 jaar.

 Fast mapping = Snelle koppeling van nieuwe woorden aan hun betekenis.

  • Gebruik van meer woordsoorten:

  • Aanwijzende voornaamwoorden: Die, dat, deze,..

  • Voorzetsels: in, op  Naast, boven, onder,.. fouten tot 4 a 5 jaar.

  • Persoonlijke voornaamwoorden: ik ( i.p.v. eigen naam) , jij, wij,..

  • Gebruik van meervoudsvormen ( vaak nog geen correcte verbuiging):

  • Vb. Tafelen i.p.v. tafels ,..

  • Vervoeging van werkwoorden in 1e en 3e persoon enkelvoud ( pas een einde 3de levensjaar minder fouten).  Kan een periode heel goed gaan, maar kan dan opeens terug afzwakken.

  • Vervoeging van werkwoorden in verleden tijd:

  • Nog veel fouten Vb. Slaapte jij? ( pas aan 4 a 5 jaar minder fouten – voltooid deelwoord vanaf 5 a 6 jaar juister)

  • Soms na periode van juist gebruik.

  • Over generalisatie: stam +te.

  • Gebruik van grammaticale regels steeds beter:

  • Vb. ‘ ik heb honger ‘ en niet ‘ ik ben honger’.

  • Aan het begin van differentiatiefase : soms ‘belangrijkste’ woord voorop.

  • Grammatica gaat beter evolueren omdat er een tijdsbesef ontstaat.

  • Spraakmotorische verfijning:

  • Meeste klanken worden goed uitgesproken tegen einde fase, eventueel met uitzondering van ‘s’ en ‘r’.

  • Grote interindividuele tempoverschillen.

  • Egocentrisch taalgebruik : Het kind praat met/tegen zichzelf, eventueel in de jij vorm.

  • Vygotsky: egocentrisch taalgebruik geeft sturing aan gedrag en gedachten en helpt problemen op te lossen.

  • Egocentrisch taalgebruik bevordert de taalpragmatiek ( = informele regels van de taal), met andere woorden leert het kind effectief en toepasselijk communiceren.

  • Toename van sociaal taalgebruik (> 3 jaar) met andere woorden meer taalgebruik dat op anderen gericht is en dat door de anderen begrepen moet worden.

 Aandacht voor pragmatiek is noodzakelijk.

 Belemmering door fouten in ‘ rolneming’.

  • Belang van blootstelling aan veel en gevarieerde taal.

 Aandacht voor het sociaal-economisch milieu waarin kinderen opgroeien.

Taal in de schooltijd:

  • Nog geen volwassen taalgebruik.

  • Verdere uitbreiding woordenschat.

  • Grammatica: Toenemend gebruik van de passieve vorm.

  • Begrip van syntaxis verbetert verder: Van woorden  Zinnen.

  • Uitspraak van fonemen verbetert.

  • Begrip van betekenis van een zin door gebruik van intonatie nog moeilijk.

  • Toenemende competentie in taalpragmatiek.

  • Groeiend besef van het eigen taal gebruik = Metalinguïstisch bewustzijn.

 Meer expliciet begrip van de taalregels.

 Vragen naar verheldering bij onduidelijke boodschappen.

  • Praten tegen zichzelf helpt om het eigen gedrag te reguleren. ( Experiment Marshmallow).

Test je kennis:

Welk van de onderstaande uitspraken is juist? Over het algemeen kan een kind van 24 maanden…

  1. holofrasen gebruiken.

  2. tweewoordzinnen produceren.

  3. de fout maken het woord “poes” ook te gebruiken om naar een hond te verwijzen.

  4. in telegramstijl praten.

  5. Alle bovenstaande uitspraken zijn juist.

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]