Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

6.1.2: De sensomotorische periode: De basis van de vroege cognitieve groei:

 Intelligentie in de vorm van motorische activiteit als reactie op sensorische stimulatie.

 Enkel sensorisch motorische schema’s.  Wat het kind kent zijn DOE schema’s,  Hoe hij dingens moet doen.  Handelingen vormt de basis van de cognitieve vooruitgang.

6 substadia:

  • Stadium 1: Eenvoudige reflexen/ reflexmatig handelen. ( 0-1 maand):

 Reflexen, aangeboren schema’s  Uitbreiden & oefenen.  Bouwstenen latere doelgerichte handelingen.

 Enkel reflexen  Reflex schema’s  Grijp schema, zuig schema.

 Vb. zuig schema  Alles wat het kind tegen zijn mond krijgt, gaat hij op zuigen.

 Vb. Kind heeft leren zuigen op moederborst  Gaat op een moment een fles krijgen, gaat anders moeten leren zuigen op de fles als op de moederborst  Schema aanpassen Accommoderen.

 Eenvoudige schema’s.

 Reflex matig reageren op een stimuli.

  • Stadium 2: 1ste gewoonten & primaire circulaire reacties ( 1-4 maanden):

Circulaire reactie: Een activiteit die de ontwikkeling van cognitieve schema’s mogelijk maakt dankzij de herhaling van een willekeurige motorische houding.

Primaire circulaire reacties = Herhalingsreacties waarbij handeling zelf voldoende plezier verschaft om ze opnieuw te stellen, gericht op eigen lichaam.  Opnieuw handelen omdat ze uit deze handeling plezier halen  Ontdekken per toeval.

Vb. herhaaldelijk duimzuigen.

vb. Brabbel monologen  geluidjes maken, maar het kind is niet geïnteresseerd in de reacties van de omgeving.  Gericht op de handeling zelf.

 Langzame ontwikkeling van coördinatie tussen hand- mond, hand-oog (kijken naar iets en er naar grijpen), auditief-visueel.  Gaat beter lukken.

 Door ervaring met de aangeboren schema’s worden deze aangepast en steeds meer gecoördineerd en geïntegreerd.  Worden meer uitgebreid en complexer.

 Niet enkel reageren op stimuli , maar ook zelf beslissen om bepaalde acties te reageren.

  • Stadium 3: Secundaire circulaire reacties ( 4-8 maanden):

Secundaire circulaire reacties: Niet het herhalen van de handeling zelf is het doel maar het opnieuw oproepen van de prettige effecten van de handeling  Gericht op objecten in de omgeving.

 Zijn wel gericht op het effect van hun gedrag  Gaan gedrag stellen voor het effect van de omgeving.

Vb. Sokjes met muziek  trappelde heel de tijd met hun voetjes om het belletje te horen  Trappelen was niet hun doel, maar het horen van het belletje.

 Coördinatie tussen grijp & kijkschema wordt vervolmaakt.

 Gebruik stem & start imitatie geluiden.  Moeder doet iets, kind doet het na, kind doet iets, moeder doet het na.

Semi- intentionaliteit: Beweging bij toeval en onverwacht effect stimuleert tot opnieuw stellen van gedrag/ nog geen echt ‘ intentioneel’ doel.  Het effect kan niet los gezien worden van de handeling.

 Kinderen beseffen niet dat het belletje oorzaak is van hun gedrag.

 Zien het oorzaak- gevolg nog niet.

 Brabbelen voor de reactie van de ouders.

  • Substadium 4: Coördinatie van secundaire circulaire reacties ( 8-12 maanden):

Intentioneel: Wanneer het kind een gedrag dat het ervaren heeft als toevallige aanbrenger van een effect, nu als middel gaat gebruiken om effect uit te lokken.

 Handelingen stellen met als doel bepaalde reacties uit te lokken.

Vb. Hondje  Touwtje trekken  Hondje volgt. Het kind gaat beseffen dat als ze wilt dat het hondje volgt, dat ze aan het touwtje moet trekken.

 loskoppeling van de actie van het effect.

 Bepaald doel hebben en je kan hier bepaald gedrag voor stellen waardoor je je doel gaat bereiken.

 1ste ‘doel’ , dan gedrag om doel te bereiken.

 Anticiperen op toekomstige omstandigheden.

Beginnende objectpermanentie: is het besef dat mensen/ objecten niet ophouden te bestaan, ook al zijn ze onzichtbaar.  Blijven bestaan!

Vb. Film  Poppetje verstoppen onder doek  Vanaf 13 maanden gaan ze dit kunnen vinden.  Heeft er een idee van  Maar op de juiste plaats zoeken lukt nog niet.  Veroorzaakt scheidingsangst.

 Proef beertje.

 Implicaties:  Scheidingsangst, protest. Vb. Kindje wilt snoepje, maar mag niet van de mama, mama verstopt snoepje en zegt dat er geen snoepjes meer zijn  Kind gaat protesteren omdat het weet dat er nog wel snoepjes zijn.

 Onderschatting mogelijkheden objectpermanentie baby’s?:

Experimenten:

  • 2 voorwerpen: driehoek verdwijnt achter scherm A; schrijf verdwijnt achter scherm B.

  • Baby’s van 6 maanden zien dit gebeuren.

Resultaten:

  • Baby’s waren niet verwonderd als de driehoek plots vanachter scherm B tevoorschijn kwam ( idem schijfscherm A)

  • Baby’s waren wel verwonderd als er niks achter scherm A of B zat.

 Baby’s van 6 maanden hebben reeds notie van objectpermanentie maar vergeten wat precies verdween.

Intentioneel gedrag: gedrag waarbij verschillende schema’s gecombineerd en gecoördineerd worden tot 1 enkele actie om een probleem op te lossen.

Objectpermanentie: Het besef dat mensen en objecten niet ophouden te bestaan , ook al zijn ze onzichtbaar.

  • Substadium 5: Tertiaire circulaire reacties ( 12-18 maanden):

Tertiaire circulaire reacties: Actief exploreren en manipuleren , doelgericht uitproberen van nieuwe effecten, gedrag variëren om nieuwe effecten uit te proberen.  Hier zien we dat kinderen mini-experimenten gaan uitvoeren om te zien welke reactie dit gaat uitlokken.  Gedrag variëren om te zien welk effect dit heeft.

 Vb. Eten in een stoeltje  1ste vork op de grond gooien, 2de keer bord op de grond gooien,  Variaties toevoegen aan gedrag.

 Mini- experimenten met variaties om consequenties te zien.

 Belangstelling voor het onverwachte.  Waarom bepaalde zaken zo zijn  Zijn heel nieuwsgierig.

Vervolmaking objectpermanentie: Zoeken naar object waar het laatst werd gezien

  • Substadium 6: In het begin van denken ( 18-24 maanden):

Mentale representatie: Verinnerlijkte voorstelling van de werkelijkheid. (begin van het denken, tot stand komen van cognitieve schema’s Denk schema’s.)

 Innerlijke voorstelling van een gebeurtenis of object.

 Vb. Lucifer doosje waar ketting in steekt Ketting steekt er beetje uit  Kindje moet ketting er uit halen.  Kind gaat eerst nadenken, gaat het eerst in het hoofd uitvoeren en denken wat het effect zal zijn,  Eerst in hoofd naspelen dan pas doen.

 Maakt het ‘doen alsof’ mogelijk.  In doos zitten en doen alsof hij met de auto rijdt.

Indirecte imitatie: Handeling waarbij persoon die niet meer aanwezig is wordt nagebootst door kinderen die eerder getuige waren van een soortgelijke handeling.  Kind heeft iets gezien bij de ouder en doet dit later na. Vb. mama trap zien borstelen  Dag erna zelf de trap borstelen.

Mentale experimenteren: Vooraf inschatten wat effect van een bepaald gedrag kan zijn.

 Begrip oorzaak-gevolgreacties.  Als ik dat doe, dan gebeurt er dat.

 Minder gissen & missen.  1ste nadenken dan pas doen.

= Verinnerlijkte tertiaire circulaire reacties.

 Link de uitleg aan de term:  Uitleg kunnen geven plus Vb. En omgekeerd.

  • Primaire circulaire reacties. (1)

  • Secundaire circulaire reacties.(2)

  • Tertiaire circulaire reacties.(3)

  • Doelgericht uitproberen van nieuwe effecten, door het gedrag op een gevarieerde manier te herhalen ( niet-verinnerlijkt  Verinnerlijkt) (3)

  • Louter herhalen van handeling zelf, gericht op eigen lichaam. (1)

  • Handeling om een gekend effect weer tevoorschijn te roepen, gericht op omgeving ( semi-intentioneel  Intentioneel) (2)

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]