Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

5.3.5: Multimodale perceptie: De input van individuele zintuigen gecombineerd:

Is de benadering waarbij gekeken wordt naar hoe de informatie die wordt opgevangen door verschillende individuele zintuigen worden geïntegreerd en gecoördineerd.

 Vb. Om een straat over te steken moet je kijken en ook luisteren.

2 Visies:

  1. Sensaties die reeds geïntegreerd zijn bij neonatus.

  2. Zintuigen werken eerst afzonderlijk en na ontwikkeling van de hersenen verder geïntegreerd.

 Dialoog tussen verschillende zintuigen reeds mogelijk bij baby’s vanaf 1 maand oud. ( ook nature).

 Betere kennis affordances stimuleert ontwikkeling perceptuele vermogens.

 Affordance = Actiemogelijkheden die een bepaalde stimulus of situatie verschaft.

 Vb. Rammelaar: wat kan het allemaal; welk geluid maakt het, hoe voelt het, welke kleur heeft het,..

  • Multimodale benadering van perceptie:  Benadering waarbij gekeken wordt hoe de informatie die wordt opgevangen door verschillende individuele zintuigen wordt geïntegreerd en gecoördineerd.

  • Affordances: De actiemogelijkheden die een bepaalde situatie of stimulus verschaft.

Hoofdstuk 6: De cognitieve ontwikkeling in de babytijd:

6.1: Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:

6.1.1: Belangrijke elementen van Piagets theorie:

 Piaget geloofde dat mentale structuren, die hij schema’s noemde, de fundamentele bouwstenen zijn van de manier waarop wij de wereld zien.

 Schema’s: Zijn mentale structuur of programma dat de ontwikkeling van het denken aanstuurt.

Het gemak waarmee je deze stappen hebt gezet is te danken aan je mentale structuren of schema’s. Naarmate we onze kennis uitbreiden en organiseren, vormen en veranderen we onze schema’s. Schema’s zijn te vergelijken met computersoftware: Ze bepalen hoe gegevens van de wereld zoals gebeurtenissen of objecten beoordeeld en behandeld worden.

Volgens Piaget vertegenwoordigt elk van deze acties een schema zijn die schema’s de manier waarop de baby kennis over en inzicht in dit nieuwe object vergaart.

 Piaget meende dat adaptatie aan het begin lag van de groei van schema’s.

Adaptatie: De eigenschap om zich aan te passen aan de omgeving.  Adaptatie bestaat uit 2 aparte processen.  Vaak passen we deze processen onbewust toe.

 Adaptatie betekent dat mensen er altijd op uit zijn om betekenis te geven aan de dingen waarmee ze in aanraking komen.

Assimilatie: Dat doen we in 1ste instantie door iets nieuws te plaatsen binnen wat we al weten en begrijpen van de wereld zoals die ons bekend is.

 Accommodatie: Vindt plaats na Assimilatie.  Veranderingen in onze bestaande manieren van denken of ons gedrag in reactie op ontmoetingen met nieuwe stimuli of gebeurtenissen.

Elk levend organisme wordt geboren met 2 tendenties:

  1. tendens tot adaptatie.

  2. Tendens tot organisatie.

 Met doel te komen tot equilibrium en kwalitatief hoger functioneren.

Basisbegrippen theorie Piaget:

  1. Tendens tot adaptatie:

  • Assimilatie ( schema wordt onveranderd toegepast) en accommodatie.

  • Kind kent hond, en wordt voor 1e keer in leven geconfronteerd met een poes  Eerst benoemt het kind de poes als iets wat het al kent  Poes = hond  Kind noemt pas poes een hond ( assimilatie)  Omgeving corrigeert: Het is geen hond , maar het is een poes  Kind gaat schema’s aanpassen ( accommodatie) waardoor kind de kan een kat noemt en geen hond.

  • Schema’s.

  1. Tendens tot organisatie:

  • Equilibrium

  • Stadia.

  • Is aangeboren tendens van elk organisme om eigen processen tot geordende , samenhangende gehelen te integreren.

  • Vb. Oog-handcoördinatie: leren om verschillende aparte processen te organiseren op elkaar

  • Vb. Leren autorijden: let eerst op alle verschillende aspecten, als je goed geoefend hebt raakt het een gewoonte ( verschillende stappen worden geïntegreerd).

  • Adaptatie & organisatie van zijn complementair:

  • Via adaptatie gaat men schema’s vormen & aanpassen.

  • Via organisaties gaat men schema’s integreren op elkaar.

  • Het evenwicht = equilibrium.:

  • Voortdurend streven naar ‘ evenwicht’ of equilibrium bij ontwikkeling ( ont= opeenvolgend evenwicht/ onevenwicht)

  • Evenwicht : Tussen het organisme ( de cognitieve structuur) ( wat individu al kan) en de eisen van de omgeving.

  • Door de complementaire processen van assimilatie en accommodatie é door interactie tussen adaptatie en organisatie.

  • Bereiken van evenwicht = ideaal.  Is geen behoefte voor verandering bij nieuwe ervaringen.

  • Psychologische structuur of schema:

  1. Sensomotorische schema’s = Gedragsschema’s

 0-2 jaar : Enkel sensomotorische schema’s.

 Actie= kennis  Baby’s leren door het te doen.

 Kinderen voldoende stimuleren! Voldoende ontwikkelingskansen geven.

 Vb. Grijpen, zuigen, kruipen.

  1. Cognitieve schema’s = Schema’s van denken.

 Vanaf 2 jaar ook cognitieve schema’s.

 Leert door te denken/ reflecteren.

 Vb. Classificatie: 2 stimuli behoren tot dezelfde categorie op basis van gelijkenissen tussen die 2 stimuli  Rood: rode trui + rode sjaal.

 Vraagt abstracter vermogen.

 Cognitieve schema’s zijn afgeleid uit de sensomotorische schema’s door internalisatie ( leren door doen  Mentale representatie van effecten)

 Aanpassen van schema’s ( via assimilatie & accommodatie) & omgaan met omgeving, zorgen dat de kennis van het kind verruimt.

 Kind krijgt bal  Reageert met gekende schema’s (assimileren) : zuigen, grijpen naar bal  Als kindje begint te zuigen valt de bal waardoor bal begint te stuiten ( accommodatie): bal is stuiterding.

 Kwalitatief denken: Stadia doorheen de ontwikkeling.

 Bij ieder stadium ga je kwalitatief anders/ beter presteren dan vorig stadia.

 Binnen het stadia ga je de hele tijd zoeken naar evenwicht.

 Relatief op het einde van het stadium zal je de uitdagingen binnen dit stadium bereiken waardoor je naar volgend stadium gaat komen ( terug in ovenwicht omdat je hier nog niet kunt wat er nodig is)

 Rijping ( nature) en voldoende relevante leerervaringen opgedaan om naar het volgende stadium te gaan ( nurture).

 Piaget!!  Kwalitatief.  Het schema aanpassen per stadium. Omdat hij de schema niet meer kan gebruiken in het volgend stadium.

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]