Добавил:
Upload Опубликованный материал нарушает ваши авторские права? Сообщите нам.
Вуз: Предмет: Файл:
leerkortom.eu - Ontwikkeling.docx
Скачиваний:
0
Добавлен:
01.07.2025
Размер:
7.8 Mб
Скачать

4.3.3: Het leervermogen van de pasgeborene:

 Pasgeboren baby’s kunnen reeds leren.

  • Vb. anticiperende oogbewegingen ( in de 1e maanden na de geboorten)

 Proefje: lampjes 1 voor 1 laten branden  Als baby’s aantal keer sequens zagen en plats brand 1 lampje niet in de sequens blijft baby kijken naar het lampje dat dan zou moeten beginnen branden. ( Sequens = lampjes die om de beurt aan/uit gaan)

3 specifieke vormen van leren:

  • Klassieke conditionering:

 Neutrale stimulus wordt gekoppeld aan stimulus die een bepaalde reactie uitlokt. Na herhaaldelijk samen voorkomen van stimulus roept de voormalige neutrale stimulus nu ook de reactie op.

 Vb. Kleine Albert.

 Telkens wanneer hij met schattig, onschuldig wit ratje speelde klonk er een hard geluid.

 Angst generaliseert op andere dieren dan witte rat.

 Vb. proefje aai hoofdje – zoete vloeistof, vlak na geboorte.

 Aai hoofdje + druppeltje zoete vloeistof op tong.

 Enkel aai  Deed baby’s lipje al open om te anticiperen omdat hij het zoete druppeltje verwacht.

Een vorm van leren waarbij een organisme reageert op een neutrale stimulus die dat type respons normaal gesproken niet teweegbrengt.

Stimulussubstitutie = Stimulus die normaal gesproken niet leidt tot bepaalde reactie gekoppeld wordt aan een stimulus die die reactie wel oproept.

  • Operante conditionering:

 Een vrijwillige respons wordt versterkt of verzwakt, afhankelijk van zijn associatie met positieve of negatieve consequenties.

 Baby’s leren doelbewust inspelen op omgeving om gewenst gevolg te bekomen.

 Bv. Zuigen om liedje te horen  Blijven zuigen om muziek te blijven horen  Sokjes met belletjes  Na voordoen, blijven ze met beentjes schudden om geluid te horen.

 Een vorm van leren waarbij een vrijwillige respons vertrekt of verzwakt wordt, afhankelijk van zijn associatie met positieve of negatieve consequenties.

  • Gewenning:

= Habituatie: Afname van reactie op stimulus na herhaaldelijke prestatie van stimulus, niet te wijten aan receptormoeheid ( fysiek niet meer in staat om nieuwe informatie te verwerken)

 Aandachtsgegeven , geen fysieke beperking.

 Als eenzelfde stimulus herhaaldelijk wordt blootgesteld, gaat de aandacht er bewust van afgeleid worden.

 Habituatie is een cognitieve activiteit.

 Bij prestatie nieuwe stimulus: Oriëntatiereactie:

 Kenmerken:

  • Hartslag vertraagt

  • Kijkrichting: kind gaat met blik richting object

  • Zuigen vertraagt

  • Wordt rustig

 Na herhaalde blootstelling: oriëntatiereactie verdwijnt

 Bij zijn nieuwe stimulus : Oriëntatiereactie.

 Kind heeft geleerd de oorspronkelijke stimulus te herkennen en van andere te onderscheiden  Zit in het geheugen waardoor er minder aandacht aan besteed ( opgenomen in schema)

 De afname in de reactie op een stimulus die plaatsvindt na herhaaldelijke presentatie van die stimulus.

 Ontwikkeling gewenning als leerproces is gekoppeld aan fysieke en cognitieve rijping.

 Hoe?:

  • Kind bouwt bij elke presentatie van een stimulus aan interne representatie (= schema)

  • Bij elke presentatie komt er een stukje van het schema bij ( vorm, grootte, geluid,..)

  • Volledige representatie: einde van het habituatieproces, geen verdere aandacht

grafiek : fixatietijd : hoe lang kindje kijk naar wat wordt aangeboden stimuluspresentatie : zelfde voorwerp dat herhaaldelijk wordt aangeboden (S1-4) nieuw voorwerp (D) aandacht stijgt geen fysiek gegeven anders zou bij D fixatietijd ook laag moeten zijn Habituatie-snelheid = index voor cognitieve ontwikkeling (correleert mooi met latere hogere intelligentie) Habituatie sneller bij oudere kinderen Hoe hoger dier op fylogenetische schaal, hoe sneller habituatie optreed Wanneer cortex beschadigd is , is habituatie trager hoe sneller habituatie, hoe minder fouten bij leertaken performantie op habituatietesten gerelateerd aan latere metingen van intelligentie Grenzen aan leren 3beperkingen : -Gedragstoestand : aandacht moet voldoende wakker/alert zijn om te leren -Motivationeel : respons mag niet te hoog gegrepen zijn binnen zonen van naaste ontwikkeling blijven -Fysieke rijping : motorisch en zintuiglijk kind moet fysiek kunnen waarnemen , horen , zien ,… anders kan hij het ook niet leren

Соседние файлы в предмете [НЕСОРТИРОВАННОЕ]