Nederlands II
L es 1: Welkom in Nederlands II !
Welke dag is het vandaag?
Welke dag is het vandaag? Het is vandaag …
De hoeveelste is het vandaag? Het is de …
De hoeveelste les van Nederlands II is dit? Het is de … les.
In het hoeveelste niveau van Nederlands zitten jullie? Wij zitten in het … niveau.
>> Wanneer gebruik je de hoeveelste en wanneer het hoeveelste?
>> Welk telwoord gebruik je in het antwoord?
Klastaal
het bord o
de stoel o
de balpen o
het potlood o
het papier o
het boek o
de kaft o
de gom o
de deur o
de CD-speler o
de televisie o
de tafel o
Deze studenten volgen een cursus Nederlands. ze vragen hulp aan de docent. Wat zeggen ze?
Wat betekent dat, ..........?- Ik begrijp het niet. Wat zeg je?- Kan je dat spellen alsjeblieft?-Wat is het verschil tussen .... en ....? -Ik weet het niet.- Kan je dat herhalen, alsjeblieft?
Dialoog 1
Leraar: Amina, waar woon je?
Amina: ...............................................................
..........................................................................?
Leraar: Natuurlijk. Waar woon je?
Amina: Ah, ik woon in Mechelen.
Dialoog 2
Leraar: In welke straat woon je?
Tanya: ..............................................................
.........................................................................
Leraar: Wat is je adres? Waar staat je huis?
Tanya: Ah, in de Kerkstraat.
Dialoog 3
Leraar: Wat is jouw familienaam?
Robert: Mijn naam is Korzeniowski.
Leraar: .................................................................
...........................................................................?
Robert: Ka, oo, er, zet, ee, ie, oo, wee, es, ka, ie.
Dialoog 4
Leraar: Wat is het beroep van deze vrouw?
Jean: Zij is verpleger.
Leraar: Zij is verpleegster.
Jean:...................................................................................................’ verpleger’ en ‘verpleegster’?
Leraar: Een verpleger is een man, een verpleegster is een vrouw.
Dialoog 5
Leraar: Wat eet je graag?
Elena: ...................................................................
...........................................................................?
Leraar: Wat eet je graag?
Elena: Ah, ik eet graag pasta.
Dialoog 6
Leraar: Neem je balpen.
Xin: ......................................................................
.......................................... ‘balpen’?
Leraar: Je schrijft met een pen. Dit is een balpen.
Dialoog 7
Leraar: Achmed, hoeveel provincies heeft België?
Achmed: ............................................................
............................................................................
Leraar: Geen probleem. Chris, wat denk jij?
Chris: België heeft 10 provincies, denk ik.
Leraar: Dat klopt.
-
Informeel
Formeel
Ik versta je niet.
Wat zeg je?
Kan je dat spellen, alsjeblieft?
Kan je dat herhalen, alsjeblieft?
Kan je een beetje luider spreken, alsjeblieft?
Ik versta u niet.
Wat zegt u?
Kan u dat spellen, alstublieft?
Kan u dat herhalen, alstublieft?
Kan u een beetje luider spreken alstublieft?
Ik begrijp het niet.
Ik weet het niet.
Wat betekent ‘...’? / Wat betekent dat, alsjeblieft?
Wat is het verschil tussen ‘...’ en ‘...’?
Hoe spel je dat?
Hoe schrijf je dat?
Hoe zeg je ‘...’ ?
Instrucciones en neerlandés:
Conecta con una flecha o o Geef de juiste zinsstructuur
Completa (con) o o Verbind met een pijl
Traduce o o Lees
Escucha o o Schrijf in het enkelvoud/ meervoud
Lee o o Ontken
Escribe en singular / plural o o Vul in (met)
Niega o o Luister
Indica la estructura correcta de la oración o o Vertaal
WOORDENLIJST
de balpen |
de balpennen |
de kaft |
de kaften |
de gom |
de gommen |
de deur |
de deuren |
de CD-speler |
de CD-spelers |
de televisie |
de televisies |
de pasta |
de pasta’s |
de zinsstructuur |
de zinsstructuren |
de pijl |
de pijlen |
|
|
het niveau |
de niveaus |
het antwoord |
de antwoorden |
het bord |
de borden |
het potlood |
de potloden |
het papier |
de papieren |
|
|
luid (luider) |
Luide |
juist |
Juiste |
|
|
de hoeveelste…? |
|
het hoeveelste…? |
|
Geen probleem |
|
Dat klopt |
|
|
|
spellen |
|
zeggen |
|
verstaan |
|
herhalen |
|
betekenen |
|
verbinden |
|
vertalen |
|
luisteren |
|
ontkennen |
|
|
|
INVULLEN |
|
Bert gaat werken. Hij zet zijn auto in de parkeergarage van zijn firma. Zijn auto
staat nu naast de auto van de directeur, meneer Rogiers. Bert wandelt naar zijn
kantoor en hangt zijn jas aan de kapstok. Hij gaat zitten aan zijn bureau.
secretarese: Bert? Er is een brief voor jou.
Bert: Van wie? Wat staat er op de envelop?
secretaresse: Het is een brief van de firma Van
Gucht.
Bert: OK. Wat staat er in de brief?
secretaresse: Volgende week wil er iemand van
de firma jou bezoeken. Zal ik een
afspraak maken?
Bert: Ja, dat is een goed idee.
secretaresse: Oh, er staat iemand aan de deur
voor jou. Het is de directeur!
directeur: Aha, meneer Sels. U zit aan uw
bureau, zie ik.
Bert: Dag meneer Rogiers. Gaat u zitten.
directeur: Nee, ik blijf staan, meneer Sels.
De hoeveelste is het vandaag?
Bert: Euh, ik weet het niet, meneer.
directeur: De kalender hangt tegen de muur!
Bert: Ah, ja. Het is de drieëntwintigste.
directeur: Juist, woensdag de
drieëntwintigste februari. Vandaag is een werkdag. Hoe lang werkt u al bij deze firma?
Bert: Bijna zeven maanden, meneer.
directeur: Juist. U werkt hier zeven maanden,
maar u weet duidelijk niet goed hoe
laat een werkdag begint.
Bert: Ja, excuseer meneer, maar…
directeur: Geen excuses. U bent te laat.
directeur: Waar is dat rapport van de firma
Van Gucht?
Bert: Een ogenblik, meneer de directeur.
Ik pak het. Het moet hier ergens op
mijn bureau liggen, of nee, het zit
in mijn lade. Alstublieft meneer.
directeur: Dank u. Waarom liggen er twee
appels op uw bureau?
Bert: Euh, ik eet graag iets gezonds in de
pauze.
directeur: En waarom legt u ze op uw bureau?
Kan u ze niet in uw bureau steken?
Bert: Euh. Dan vergeet ik ze misschien..
directeur: MMM. Ik ga dit rapport goed
lezen, Sels!
Wim : Met Wim Van Moor.
secretaresse: Goedemorgen. Kan ik met Jan
Van Gucht spreken, alstublieft?
Wim: Jan Van Gucht? Er werkt niemand met die naam bij deze firma.
secretaresse: Spreek ik niet met de softwarefirma Van Gucht?
Wim: Nee, mevrouw, dit is het reisbureau
Van Moor.
secretaresse: Excuseer, dan ben ik verkeerd
verbonden.
Wim: Dat is niet erg. Nog een prettige
dag.
secretaresse: Voor u ook.
Zich
excuseren
Neem
me niet kwalijk.
Het/
Dat geeft niet.
IETS / NIETS … |
|
Ik eet graag iets gezonds |
iets + adjectief + |
Er is niets lekkers in de kast. |
niets + adjectief + |
ER als voorlopig subject |
|
Er is een brief voor jou. Waarom liggen er twee appels op uw bureau? |
ER + / / / ø + substantief |
Volgende week wil er iemand jou bezoeken. Er werkt niemand met die naam bij deze firma. |
ER + / |
Wat staat er in de brief? Wie komt er Bert bezoeken? |
Wat / + ER ? |
Er ligt iets op het bureau van Bert. Er hangt niets aan de kapstok. |
ER + / |
De zinsstructuur met ER:
ER |
|
|
|
|
Er |
liggen |
geen appels |
op de tafel. |
|
Er |
moet |
een adres |
op de brief |
staan. |
|
|
ER |
|
|
|
Volgende week |
wil |
er |
iemand |
jou |
bezoeken. |
Op maandag |
werkt |
er |
een manager |
in zijn kantoor. |
|
|
|
ER |
|
|
|
|
|
Is |
er |
iets lekkers |
in huis |
|
? |
Waarom |
komen |
er |
kinderen |
met Driekoningen |
zingen |
? |
Wat |
staat |
er |
|
in de brief |
|
? |
Schrijf bij de tekeningen: de auto staat voor het huis – het schilderij hangt tegen de muur –
de boterhammen zitten in de broodrooster – de balpennen liggen op de tafel - de jongen zit op de stoel
…………………………… ……………………… ….……………… …………………. ……………………………
…………………………… ……………………… ….……………… …………………. ……………………………
Er liggen appels op de tafel. De bal ligt op de grond. >> ……………………………………………………. objecten
Er staat een adres op de brief. Er staat een vrouw op het schilderij.
Er staat een tekening op de muur. Er staat een foto in de krant.
>> …………………………………………………………………………………………………….. informatie
o
o Joris
zet
het boek in de kast.
Nu
staat
het
boek in de kast.
o Bert
hangt
zijn
paraplu aan de kapstok.
Nu
hangt
zijn paraplu aan de kapstok.
o Ik
leg
het boek op de tafel.
Nu
ligt
het op de tafel.
o Anneleen
steekt
het boek in de boekentas.
Nu
zit
het boek in de boekentas.
o
o
zetten >> leggen >> steken in >> hangen >>
OEFENINGEN:
Vul in met staan, liggen, zitten, hangen, steken, leggen, zetten.
De borden _______________________ op tafel.
De messen, vorken en lepels _______________________ naast de borden.
Zijn kleren ______________________ in de kleerkast.
Peter ____________________ zijn portefeuille in zijn jas.
_________________ er nog fruitsap in de koelkast?
Deze namiddag zal mama de koffie in de keukenkast _____________________ .
Zijn sokken _____________________ op de stoel naast zijn bed.
De doos ________________ op de kast.
Naast de deur __________________ een foto van haar familie.
Morgen ________________ ik mijn fiets in de gang, want het gaat vriezen.
Karolien ______________ haar boeken altijd op haar bed.
Mijn papa _____________ op de computer: hij ___________________ op het internet.
Beschrijf de woonkamer op deze tekening.
Nieuwe woorden:
een stofzuiger – een borstel – een plant – een lamp – een vaas – gordijnen – een kaars – een zetel – pantoffels –
de verwarming – het plafond – de vloer
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
Ontken.
Er staan koffers in de slaapkamer.
___________________________________________________________
Wie komt er naar mijn feest?
___________________________________________________________
Er woont een dokter in hun straat.
___________________________________________________________
Er loopt iemand voorbij de kerk.
___________________________________________________________
Er ligt iets lekkers in de koelkast!
___________________________________________________________
Vertaal.
Hay leche en la mesa. Rik tiene que ponerla en el frigorífico.
__________________________________________________________________________________
Hay cucharras y tenedores en la mesa. Mamá tiene que colocarlos en el cajón.
__________________________________________________________________________________
Hay libros en la silla. Los pondré en la mesa.
__________________________________________________________________________________
Hay un calendario en su cartera. Ella tiene que colgarla contra la pared.
__________________________________________________________________________________
Hay exámenes en la caja. La profesora los pone en una carpeta.
__________________________________________________________________________________
HUISWERK
Beschrijf je kamer/appartement met positiewerkwoorden. Schrijf minstens 100 woorden.
WOORDENLIJST
de appel |
de appels |
de deur |
de deuren |
de directeur |
de directeurs |
de afspraak |
de afspraken |
de envelop |
de enveloppen |
de kalender |
de kalenders |
de bal |
de ballen |
de grond |
de gronden |
de kapstok |
de kapstokken |
de lade |
de lades |
de muur |
de muren |
de werkdag |
de werkdagen |
de parkeergarage |
de parkeergarages |
de softwarefirma |
de softwarefirma's |
de broodrooster |
de broodroosters |
de tekening |
de tekeningen |
de boekentas |
de boekentassen |
de kleerkast |
de kleerkasten |
de koelkast |
de koelkasten |
de stofzuiger |
de stofzuigers |
de plant |
de planten |
de lamp |
de lampen |
de vaas |
de vazen |
de kaars |
de kaarsen |
de borstel |
de borstels |
de zetel |
de zetels |
de pantoffel |
de pantoffels |
de verwarming |
|
|
|
het kantoor |
de kantoren |
het rapport |
de rapporten |
het reisbureau |
de reisbureaus |
het schilderij |
de schilderijen |
het object |
de objecten |
het gordijn |
de gordijnen |
|
|
gezond |
gezonde |
rond |
ronde |
duidelijk |
duidelijke |
|
|
ergens |
|
naast |
|
Driekoningen |
|
verkeerd verbonden |
|
geschreven |
|
gefotografeerd |
|
getekend |
|
geschilderd |
|
Nog een prettige dag |
|
iemand/ niemand |
|
iets/ niets |
|
|
|
een afspraak maken |
|
spreken met iemand |
|
op de computer zitten |
|
op het internet zitten |
|
|
|
pakken |
|
vergeten |
|
beginnen |
|
hangen |
|
