Indirecte rede:
-
basisstructuur:
Jennifer
zegt
DAT
zij
niet naar Brussel
wil.
met
scheidbaar werkwoord:
-
Jennifer
wil
DAT
Paolo
met hen
meegaat.
-
met hulpwerkwoord:
Het
doet me plezier
DAT
jij
zaterdag niet alleen
zal zijn.
-
met ER:
Paolo
vindt
DAT
ER
een televisie
op zijn kot
moet zijn.
Deze werkwoorden kan je gebruiken bij de indirecte rede:
vinden dat denken dat zeggen dat bang zijn dat blij zijn dat het doet mij/jou/hem ... plezier dat
Oefeningen
Is er een verschil?
Weet u dat er morgen ook les is?
Weet u of er morgen ook les is?
Ik vraag of je koffie wil.
Wil je koffie of thee?
Ik vraag of je naar mijn feestje komt.
Ik vraag me af of je naar mijn feestje komt.
Vul in met DAT, OF, ALS(2x), WAAROM, WAAR, HOE LAAT
______________ mijn zoon groot is, wil hij ingenieur worden.
Kan je me zeggen ___________________ het is, alstublieft? Het is nu precies tien uur.
Ik weet _________________ hij nu woont.
Weet jij _______________________ hij zo vroeg naar huis gaat? Hij is misschien moe.
Wil u hem eens vragen ___________ hij morgen ook komt?
Ik vertel je mijn verhaal ___________ je me belooft __________ je het niet aan je vrienden vertelt.
Verander de zinnen volgens het model:
Ik wil een pintje. Wat zegt hij? Hij zegt dat hij een pintje wil.
Is het lekker? Wat vraagt zij? Zij vraagt of het lekker is.
Ik heb een beetje honger. ___________________________________________________
Zullen we iets eten? ___________________________________________________
Ik ken die man daar. ___________________________________________________
Ik versta je niet! ___________________________________________________
Je moet wat luider praten. ___________________________________________________
Zullen we de rekening vragen? ___________________________________________________
Heb jij geld bij? ___________________________________________________
Je gaat met een leuk meisje/ een leuke jongen naar de film.
Je wil weten (welke film vind je leuk?) _____________________________________________
Je wil weten (wat lees je graag?) _____________________________________________
Je wil weten (hoe laat is het?) _____________________________________________
Je wil weten (wanneer zie ik je opnieuw?) _____________________________________________
HUISWERK: Kies 1 situatie en bedenk 3 indirecte vragen:
1) Je wil in de schouwburg een kaartje voor een concert kopen. Je hebt een studentenkaart. Wat vraag je?
2) Je wil een trip naar Amsterdam maken. Je belt naar het VVV-kantoor. Wat vraag je?
3) Je mag (ex)koningin Beatrix interviewen. Wat vraag je?
4) Je wil een postpakket naar een vriend in België sturen. Je gaat naar de post. Wat vraag je?
WOORDENLIJST
de laptop |
de laptops |
de computer |
de computers |
de rekening |
de rekeningen |
de trip |
de trips |
de zetel |
de zetels |
de televisie |
de televisie |
de Tvkabel |
de Tvkabels |
de Amerikaan |
de Amerikanen |
de Amerikaanse |
de Amerikaansen |
|
|
het verhaal |
de verhalen |
het ding |
de dingen |
het scherm |
de schermen |
|
|
gemeen |
gemene |
brutaal |
brutale |
typisch |
typische |
Amerikaans |
Amerikaanse |
dominant |
dominante |
blij |
blije |
bang |
bange |
|
|
helemaal |
|
echt |
|
|
|
iets zeker weten |
|
naar de film gaan |
|
iets nodig hebben |
|
klaarstaan voor iemand |
|
op televisie |
|
op kot |
|
Hoe zal ik het zeggen… |
|
|
|
beslissen |
|
kennen |
|
geloven |
|
beloven |
|
haten |
|
vertellen |
|
|
|
AANSLUITEN |
|
|
|
zich AFVRAGEN |
|
